Recensie

Het land van de archetypische anderen

Israël De eminente Duitse historicus Michael Brenner schreef een actuele ideeëngeschiedenis van twee complexe fenomenen, die het Israël-debat in hoge mate bepalen: het zionisme en de Joodse staat.

Graffiti met het hoofd van Theodor Herzl bij een Joodse nederzetting
Graffiti met het hoofd van Theodor Herzl bij een Joodse nederzetting Foto ABIR SULTAN/EPA

Het Israël-discours grossiert al decennia in emoties en meningen, en ontbeert vaak de vereiste historische context. Niet onlogisch gezien de zeventig jaar lange eenzijdige berichtgeving over dat land. Maar nu is er voor iedereen die meer inzicht wenst In Search of Israel. The History of an Idea van Michael Brenner. Hij schreef een actuele ideeëngeschiedenis van twee complexe fenomenen: zionisme en de Joodse staat.

Brenner, hoogleraar Joodse geschiedenis in München en directeur van het Centrum voor Israëlstudies van de American University in Washington, volgt in zes hoofdstukken allerlei zionistische ideeën, beginnend in laat-19de-eeuws Europa en eindigend in eigentijds Israël. Moest het Joodse ‘tehuis’ een klein Duitstalig Zwitserland worden, een Hebreeuws sprekend Judea, een bijbels-utopisch ‘licht der natiën’ of een staat zoals alle andere?

In zijn inleiding belicht Brenner Joden als archetypische ‘anderen’. Sinds het Oude Egypte houden ze samenlevingen bezig, worden ze bijzonder én vreemd gevonden, gekoesterd én vervolgd. Elk idee uit deze ideeëngeschiedenis vertolkt diepe verlangens naar bevrijding van die eeuwenoude ‘abnormaliteit’. Ironisch genoeg, signaleert Brenner, werd Israël de Jood onder de staten.

Logisch, zegt Philip Roth in Operation Shylock: ‘de zogenaamde normalisatie van de Jood was meteen al een tragische illusie’. Brenner betrekt ideeën uit deze roman over falend zionisme en diasporisme bij zijn betoog, daarbij wakend voor anachronismen. Verklaren dat Theodor Herzl, de aartsvader van het zionisme, aan zelfbeschikking dacht en dat er een rechte lijn loopt naar onafhankelijkheid in moderne zin, is, zo waarschuwt Brenner, ‘reading history backwards’. Juist doordat deze historicus vanaf het begin de geschiedenis binnenwandelt, zien we de grote onrust bij zionisten en de onzekerheid over hun onderneming: ingrijpende gebeurtenissen dwongen voortdurend tot bijstelling van hun vaak utopisch naïeve ideeën.

Herzl, die lang in assimilatie geloofde, dacht welkom te zijn bij de Arabieren en vertrouwde op iets multinationaals als het Ottomaanse Rijk, met autonomie voor Joden en Arabieren. Schrijver Ahad Ha’am – grondlegger van het cultuurzionisme – waarschuwde voor Joods-Arabische botsingen. Maar Herzl bleef goedgelovig, schrijft Brenner.

Pretpark

Evenals de als nationalist bekendstaande Vladimir Jabotinski, werd Herzl (politiek) zionist door het antisemitisme. Niet uit angst voor assimilatie zoals bij Ahad Ha’am, wiens ‘pretpark voor Hebreeuwse cultuur’ Jabotinski bespotte. Cultuurbehoud was niet primair noodzakelijk, maar overleven wel. Voor hem waren het Arabische en Joodse streven onvergelijkbaar.

Jabotinski minachtte de Arabische cultuur, maar zwoer bij ‘totale, absolute, en complete gelijke rechten, zonder uitzonderingen: Joods, Arabisch, Armeens… wettelijke gelijkheid.’ Hij voorzag een Joods-Arabische federatie die ‘bij een Joodse premier een Arabier het vice-premierschap bood, en andersom’. Maar Jodenvervolging en onderling geweld in Palestina brachten hem, schrijft Brenner, in 1937 tot (Britse) gedachten over ‘bevolkingsruil’ omwille van twee staten.

Naast rechtsgelijkheid beoogde het zionisme een Joodse meerderheid, die het nationale tehuis ‘Joods’ moest maken. Lang bleef het onzeker of dit bereikt zou worden, ook door Brits-Arabisch verzet tegen immigratie naar Palestina. Onder Israëls eerste premier David ben Goerion (die zei ‘in Israël moet je in wonderen geloven om realist te zijn’), groeide de Palestijns-Joodse gemeenschap fors, en bereikte rond 1935 autonomie. Maar, zegt Brenner, over ‘een staat’ werd nog niet gesproken.

Dit werd pas het openlijke streven in 1942, toen Ben Goerion hoorde over Auschwitz. De overtuiging ‘Dit nooit weer’ maakte een eigen staat met symbolen en Joodse privileges urgent, zelfs als die anderen kon duperen. Na de stapels lijken in Bergen-Belsen en Buchenwald werd deze overtuiging sterker, behalve bij ultraorthodoxe Joden. Die achtten zionisten schuldig aan de Jodenvervolging en de toekomstige staat duivels.

Ben Goerion onderschatte de ultra-orthodoxe gemeenschap, die volhield dat niet een Joodse meerderheid de staat Joods maakte, maar orthodoxe leefregels. Nietsvermoedend schonk hij hun in 1947 privileges, zoals vrijstelling van de dienstplicht. Hij kreeg algauw spijt toen een, overigens nog altijd onopgeloste, cultuurstrijd ontstond: de strijd tussen ultraorthodoxen en seculieren. Ze gingen elkaar op zaterdagen te lijf vanwege meningsverschillen over de sabbat. Hier hadden we de historische diaspora-Jood tegenover de in Israël geboren Joodse socialist, die de diaspora wilde vergeten via ‘normalisatie’.

Die ‘normalisatie’ betekende voor jonge intellectuelen juist vooral een westerse levensstijl. En zij botsten weer met religieuze zionisten die na de Zesdaagse Oorlog in 1967 de wind in de zeilen kregen: de miraculeuze overwinning was een teken van God, een bewijs dat het Joodse volk als ‘licht der natiën’ naar Palestina was gekomen, niet als ‘normaal’ volk.

Amos Oz

Joodse ‘uniciteit’ kreeg nu een overwegend religieuze betekenis. Amos Oz noemde de euforie een ‘Messiascomplex’ en A.B. Yehoshua stelde dat het zionistische doel van normalisatie gewoon bereikt zou zijn ‘als we niet in conflict zouden zijn geraakt met de Arabieren’. De orthodoxe geleerde Yeshayahu Leibowitz, die Israëls unieke lotsbestemming benadrukte, waarschuwde voor de religieuze verheerlijking van land en voor grensvervaging tussen profetieën en Israëls Realpolitik.

Hoewel Joods-Israëlische terroristen, schrijft Brenner, werden gearresteerd en gevangen gezet, groeiden de aanvallen op Israëls democratische kern van Ben Goerions modelstaat. De Arbeidspartij tolereerde de eerste nederzettingen (en bouwde de meeste), al formuleerde Yitzchak Rabin (Arbeidspartij) zijn gedachten over de nederzettingenbeweging in 1976 glashelder: ‘…een kankergezwel in Israëls sociale en democratische structuur’.

Voor Menachem Begin, die in 1977 premier werd, hoorde de stimulering van de nederzettingenbouw bij de Joodse ‘uniciteit’. Democratie betekende vooral rehabilitatie van lang gediscrimineerde sefardische Joden. In rap tempo verving de falafel de gefillte fish, oosterse muziek klonk: Israël werd minder Europees en voor de wereld veranderde de socialistische modelstaat in een paria.

Met oog voor continuïteit en breuk plaatst Brenner eigentijdse ontwikkelingen die buiten het normalisatieproject vielen – Joods-Israëlische emigratie op zoek naar normaliteit, immigratie van Afrikanen en Aziaten, kunstuitingen – in de context van het aloude debat over de Joodse staat. Hierbij hoort ook de omstreden Natiestaatwet, aangenomen na de verschijning van dit boek. Deze wet – geen schepping van verlichte geesten – bekrachtigt een reeds decennia bestaande situatie en wordt in Israël hevig bediscussieerd.

Door het lezen van Brenner wordt duidelijk dat het westerse Israël-debat, dat al decennialang vooral over het Israëlisch-Palestijnse conflict gaat, het Israël met zijn onmisbare ideeëngeschiedenis tekort doet. Zo zou de Joodse staat volgens veel Europese waarnemers moeten kiezen tussen ‘Joods’ of ‘democratisch’. In Search of Israel laat zien dat dit een valse tegenstelling is. Dit voorbeeldig uitgegeven en gedocumenteerde boek is een waardevolle correctie op dergelijke versimpelingen en een aanvulling op wijd-verbreide misverstanden over een Joods nationaal tehuis.

    • Els van Diggele