De postkoloniale migrant moest en zou assimileren

Ulbe Bosma: Terug uit de koloniën. Zestig jaar postkoloniale migranten en hun organisaties. Bert Bakker, 447 blz. € 20,-

Ulbe Bosma: Terug uit de koloniën. Zestig jaar postkoloniale migranten en hun organisaties. Bert Bakker, 447 blz. € 20,-

Nederland is al eeuwen een immigratieland. Het aantal Nederlanders dat hun Nederlandse paspoort te danken heeft aan (verre) voorouders die elders niet meer konden aarden en hier werk, veiligheid of beide zochten, laat zich niet snel tellen. Onder hen bevinden zich de postkoloniale migranten, kinderen van de Nederlandse koloniale rekening. Na 1945 zijn er ook meer dan een half miljoen Indische Nederlanders, Molukkers, Surinamers en Antillianen uit de voormalige koloniën naar Nederland gekomen. Met ruim zes procent van de totale bevolking in Nederland is hun aandeel bijna even groot als in andere Europese landen.

Maar anders dan in Frankrijk en Engeland heeft hun aanwezigheid in Nederland nooit geleid tot een postkoloniaal besef, noch tot postkoloniale debatten. Nederlanders denken niet in die termen. Zij kennen hun koloniale geschiedenis nauwelijks. De politieke banden met de vroegere koloniën zijn bovendien veel minder strak getrokken dan in het geval van de Britse Commonwealth en de Franse Union Française. Toonaangevende intellectuelen die aan die debatten richting en scherpte gaven – Sartre in Frankrijk en wetenschappers uit de vroegere koloniën in Engeland – ontbraken hier.

De vergelijking met postkoloniale ervaringen van andere ex-kolonisatoren geeft het Nederlandse verhaal extra spanning en perspectief. Vergelijking is ook in ander opzicht een van de pluspunten van Terug uit de kolonie. Tot kort geleden werd het kolonialisme meestal verkokerd afgeleverd, per Europese natiestaat of per kolonie. Nu worden niet alleen de Europese landen vergeleken maar ook Oost en West in een gezamenlijke Nederlandse geschiedenis betrokken.

Na de dekolonisatie kwamen de postkoloniale migranten in twee golven naar het vaak onbekende moederland. De eerste in de jaren veertig, vijftig en zestig was afkomstig uit Nederlands-Indië/Indonesië, de tweede vanaf de jaren zeventig uit Suriname en de Nederlandse Antillen. De eerste groep bofte (met uitzondering van de Molukse militairen en hun gezinnen). Het grootste deel was blank, hun Nederlands was in het algemeen perfect, de arbeidsmarkt bood werk in overvloed. Alleen huisvesting gaf problemen.

De overheid hoopte nadien op een tweede succesverhaal, maar kwam bedrogen uit. De groep uit de West had het economisch veel zwaarder. Die kwam in de jaren zeventig en tachtig, toen de oliecrisis en de verplaatsing van de industrie naar lagelonenlanden de kansen op werk aanmerkelijk hadden verkleind. Het opvangbeleid was bovendien niet meer nationaal georganiseerd maar aan de gemeenten opgedragen.

De lezer van Terug uit de kolonie krijgt wel waar voor zijn geld. Een saaie geschiedenis van de postkoloniale migrantenorganisaties uit de ondertitel is het zeker niet geworden. Hoe zou je ook die 2.600 organisaties boeiend kunnen beschrijven? Het boek geeft namelijk veel meer: een geschiedenis van de postkoloniale migratie zelf, van het overheidsbeleid en de opvang van deze migranten, van de herdenkingscultuur binnen de verschillende gemeenschappen én van de politieke en culturele houding van hun organisaties.

Bosma weerlegt het negatieve oordeel over deze organisaties van de parlementaire commissie-Blok, die in 2003 de integratie van minderheden onderzocht. Zij hebben volgens hem wel degelijk een belangrijke rol gespeeld bij vestiging en integratie. Hun groei was bovendien niet afhankelijk van subsidie, maar vooral bij de Surinaamse organisaties een gevolg van etnische verschillen.

De doorgaande (post)koloniale lijnen zijn helder getekend. Alle kolonisatoren waren in meer of mindere mate gericht op assimilatie van de gekoloniseerden aan de Westerse cultuur, zij het met voortdurende twijfel over de haalbaarheid van dat ideaal. Na 1945 is dat streven naar assimilatie nooit losgelaten. Het kreeg een postkoloniale vorm in het integratiebeleid. Hoezeer dat ook in het politieke debat over de multiculturele samenleving is betwijfeld, hier blijkt nog eens dat die politieke doelstelling een rode draad in het postkoloniale beleid was.

Waarom is die doelstelling dan niet gehaald? Ook daarin spelen koloniale erfenissen een rol. De klasse- en etnische verschillen die de koloniale samenleving domineerden, herhaalden zich in de postkoloniale samenleving. De top kon integreren, de massa bleef achter omdat zijn sociaal-economische startpositie ongunstig was en zijn aanwezigheid als een tijdelijke werd beschouwd (Surinamers, Molukkers).

Bosma wint er geen doekjes om: het probleem van de postkoloniale migrant is een tweede ‘sociale kwestie’, vergelijkbaar met de sociale kwestie van rond 1900. Niet de culturele identiteitsvragen, maar scholing en werk leveren de hefbomen tot integratie en met die twee zaken is het in de meeste postkoloniale migrantengroeperingen even schamel gesteld als in die van de arbeidsmigranten.

Ondanks de duidelijke oordelen ontbreekt gelukkig iedere zweem van moralisme en daarmee levert dit boek een historisch verantwoord aandeel in de huidige discussies over minderheden en migranten.

    • Elsbeth Locher-Scholten