De opmars van de 'Austenmania'

Ze stierf op haar 41ste en raakte uit het zicht. Maar inmiddels is de derde ronde van de revival van ‘Jane’s Fame’ allang gaande.

Cover van de Australische editie van Claire Harmans boek Claire Harman: Jane’s Fame. How Jane Austen Conquered the World. Canongate, 342 blz. € 27,-

Claire Harman: Jane’s Fame. How Jane Austen Conquered the World. Canongate, 342 blz. € 27,-

Al zijn ook Scott en Dickens, de gezusters Brontë en George Eliot onsterfelijke vertegenwoordigers van de 19de-eeuwse Engelse roman, niemand is zo onsterfelijk als Jane Austen. Zij is volgens Claire Harman voor Engelse lezers zo’n vertrouwde figuur dat zij haar aan haar voornaam herkennen; en al werkt dat buiten Engeland niet, met haar achternaam erbij is zij bijna overal op de wereld bekend, zo niet van haar boeken dan wel van televisie-bewerkingen.

Er zijn van het begin af aan, dat wil zeggen in de eerste jaren na 1811 toen haar eerste roman Sense and Sensibility verscheen, lezers geweest die niet begrepen wat anderen hier zo bijzonder aan vonden. Het ging toch altijd maar over liefdes en gezinsverwikkelingen in de upper middle class van Zuid Engeland, die iedereen zelf wel had kunnen bedenken en dan uiteindelijk niet bijzonder genoeg zou vinden om over te schrijven. Wat de bewonderaars tegenover deze geringschatting stelden werd in 1826 geformuleerd door de grote Walter Scott: ‘The big Bow-wow strain I can do myself’ schreef hij; ‘Wat ik niet heb is de expert touch die alledaagse dingen en karakters interessant maakt met de waarheid van de beschrijving en het gevoel.’

Jane was toen negen jaar eerder gestorven, in 1817, op haar 41ste. De vier romans die wij als haar voornaamste kennen, dat wil zeggen ook Pride and Prejudice, Emma en Mansfield Park, waren bij haar leven verschenen en op een bescheiden schaal goed ontvangen. Buiten de kleine kring van geleerde Austen-kenners is het een tijd lang een gangbaar idee geweest dat haar werk nauwelijks opgemerkt werd bij haar leven en nog lang daarna.

Claire Harman, die de hele 200-jarige geschiedenis van Austens werk vertelt, laat om te beginnen zien dat het bij haar leven wel degelijk gelezen werd, en een welkome kleine hoeveelheid geld opbracht. Haar reputatie was, hoewel nietig vergeleken met die van Scott en Fanny Burney, niet zo gering dat haar zelfvertrouwen er door ondermijnd kon worden. Zij werd zelfs door de Prins van Wales uitgenodigd ten paleize, waar zij door de bibliothecaris ontvangen werd en de ongevraagde toestemming kreeg om haar volgende werk aan de Prins op te dragen.

Na haar dood raakte Austen aanvankelijk uit het zicht, zoals het met de meeste auteurs gaat. Al werd er af en toe nog iets van haar herdrukt, zij bleef voorlopig een schrijfster op de achtergrond. Niet dat Scott haar enige bewonderaar was. Een heel aantal andere literaire aanzienlijken van de volgende generaties heeft haar werk gekend en geprezen, van Coleridge en Southey tot Macaulay en Tennyson. Disraeli beweerde dat hij Pride and Prejudice zeventien maal gelezen had.

Zo bleef Austen een figuur van betekenis voor connaisseurs. Tot 1870 toen haar reputatie explosief uitgebreid werd door de Memoir of Jane Austen van de hand van James Austen-Leigh, de zoon van een van haar zusters. Hij had als jongetje op de begrafenis van zijn tante gestaan en later als dominee een aantal boeken geschreven die hij nu bekroonde met een boek over haar. Een biografie kan het niet genoemd worden, daarvoor had Austen- Leigh te weinig onderzoek gedaan, en van wat hij misschien wel wist, liet hij te veel weg omdat het indiscreet gevonden zou worden in het 19de-eeuwse familieleven.

Wat er wél in stond was toch genoeg om de belangstelling van het lezende publiek voor Jane te doen oplaaien. Ineens, of in ieder geval al heel gauw, was zij een schrijfster die je behoorde te lezen. De uitgever Bentley speelde erop in met een nieuwe editie van de verzamelde romans, en zo begon de tweede fase in de geschiedenis van Jane’s roem.

Al was haar reputatie nog maar een kleinigheid vergeleken met die van tegenwoordig, het ging al wel die kant op. Een tijdje later vonden sommige kritische lezers die zelfs bepaald overdreven: Henry James schreef in 1907 dat de bewondering voor Austen naar zijn indruk wel over het hoogtepunt heen was, na zo opgeblazen te zijn door de publiciteit. Niemand kon zich toen voorstellen hoe de Austenmania zich verder zou ontwikkelen.

In de loop van de 20ste eeuw is de belangstelling voor Austen zo sterk toegenomen, dat er nu bijna geen ruimte voor groei meer lijkt te zijn. Denk alleen maar aan de Jane Austen Societies van Engeland en van Amerika en Australië met hun bijeenkomsten en hun publicaties van lezingen en essays. Welke andere Engelse schrijvers worden zo consequent bijgehouden door verenigingen? De enige van wie het soms zo lijkt, is Virginia Woolf, ook een schrijfster over wie de toegewijde lezers nooit ophouden. Misschien is er nog een aantal andere societies, maar geen valt zo op als die van ons aller Jane.

Na de tweede fase, die in 1870 begon, wijst Harman een derde aan, waarvan zij het begin stelt in 1995. En dat is het jaar van de meest opzienbarende (lang niet de eerste) tv-serie van Jane’s werk die, zo niet in alle landen, dan toch in alle delen van de wereld vertoond werd, en daarna in Engeland op een video werd gezet die binnen een week was uitverkocht: 70.000 exemplaren.

Hoeveel ruimte blijft er over voor verdere groei? Misschien zijn in Europa enkele regionale talen nog niet voorzien van vertalingen; in ander werelddelen zullen er iets meer mogelijkheden voor gebiedsuitbreiding zijn – al bestaan er versies van Austens romans in het Chinees, Perzisch en Tamil. In Afrika wordt veel in het Engels begrepen, soms beter dan in Engeland zelf, vooral daar waar de leefregels van de Anglicaanse Kerk nog in acht genomen werden.

Claire Harman heeft haar gegevens met onvermoeibaar animo bijeengebracht, en het zal ware Austenites, die geacht worden het hele oeuvre iedere paar jaar te herlezen, goed doen weer te beseffen dat zij met de wereldliteratuur bezig zijn.

    • J.J. Peereboom