Bevrijd van de runderlapjes

Een personage zijn in een Nederlandse roman – dat gun je niemand. De held uit Paul Marijnis’ laatste roman bedenkt een list. Hij gaat schrijven.

Terror und Traum van Karl Schlögel (Carl Hanser, €29,95) laat zien hoe Stalin in 1937 met een duivels masterplan de Sovjet-Unie ruïneerde, aldus Hans van der Heijde. Zie pagina 7

Paul Marijnis: Waandag. De Arbeiderspers, 207 blz. € 18,95

Vorig jaar overleed Paul Marijnis, dichter en romanschrijver van een bescheiden oeuvre: twee romans, twee dichtbundels en een bundel korte verhalen. Marijnis, oud-redacteur van deze krant, begon pas laat aan zijn literaire loopbaan, op 47-jarige leeftijd. Erg bekend is hij er niet mee geworden, wel geliefd in kleine kring. In deze krant noemde Ilja Leonard Pfeijffer zijn werk ‘een van de meest eigenzinnige, baldadige, valse en vitale bijdragen aan de literatuur die ik ken.’

Dat was zelfs nog wat voorbarige lof, want het blijkt dat Marijnis’ oeuvre met zijn overlijden nog niet was uitgeput. Postuum is nu de roman Waandag verschenen. Het boek is een feest om te lezen, boordevol briljante grappen en taalvondsten, een heerlijk blijspel, een absurdistische schelmenroman, een satirische pastiche van de Nederlandse literatuurgeschiedenis, een hilarisch anarchistisch manifest, maar bovenal een ode aan de speelsheid – én een toonbeeld daarvan.

Marijnis’ zinnen spatten van de bladzijden, grillig en fantasierijk, maar altijd vol beeldende kracht: zo heeft hij het over ‘licht van de maan dat door de ramen stroomt en plassen op de vloer maakt’, of: ‘Zonlicht zeefde goudstof uit niets.’ Soms leeft Marijnis zich uit in lange zinnen met vermakelijke kronkels, met een knipoog naar de oude Nederlandse dichters, zoals hier P.C. Boutens: ‘Kwamen de nachten door de Schemerstraat sluipen, overal aan de deuren bellend om te bedelen. Ik houd daar niet van en besloot liever langs het Stille Pad te lopen, waar men weliswaar wordt lastiggevallen door dagen die iemand met uitgestoken hand blijven nalopen, jengelend dat men voor goud de povere praal zal kopen die ze met hun ellendige stemmen aanprijzen.’

Maar net zo makkelijk legt Marijnis zijn bonte personages puntige oneliners in de mond, zoals de nuchtere twaalfjarige Marietje, die op al te breedlopende verhalen reageert met opmerkingen als ‘Je praat als een boek’. Plezierig zijn ook de absurdistische dialogen: ‘„Het is hier niet wat het lijkt,” legde hij uit, „het lijkt wat het is. Veel bevredigender.”’ Of het advies van een mollig Chinees boeddhabeeldje: ‘Luister, dit is het geheim van een lang en onbezorgd leven. Zit overdag als een zak in je stoel. Lig des nachts als een steen in je bed. Open je mond om voedsel te nemen. Als je slaaprig wordt, doe dan je ogen dicht.’

De grootste kwaliteit van Waandag is dat het ondanks alle gelaagde vertelconstructies en intertekstualiteit leest als een meeslepend en buitengewoon grappig verhaal, ja alle charme heeft van een klassiek kinderboek. Paul Marijnis was bewonderaar van Lewis Carroll en dat valt te merken. Net als in Alice in Wonderland draait alles in Waandag om de wereld van de fantasie en de verwarring, die ook bij Marijnis dient als tegengif voor de dorre, verbeeldingsloze gevestigde orde. En daaronder verstond Marijnis ook nadrukkelijk de gevestigde orde van de Nederlandse literatuur.

Hoofdpersoon Linus Kalmoes heeft zich drie maanden lang onder de dekens van zijn bed verscholen, nadat hij op staande voet ontslagen was als ‘aspirant-assistent bij de Openlijke Leeskamer, afdeling Moeilijke Boeken Zonder Plaatjes’, vanwege ‘Bladeren zonder Aanvraagbriefje’ en sorteren zonder rekening te houden met het ‘formaat van de auteur’.

Maar de echte reden van zijn apathie ligt ergens anders. Linus is ervan overtuigd dat hij een romanpersonage is, en zodoende overgeleverd aan de willekeur van een schrijver.

Dat is op zichzelf al geen prettige gedachte, maar het ergste is dat hij vermoedt dat hij een personage is in een Nederlandse roman: ‘Altijd dezelfde provinciestadjes, dezelfde kleinburgers, kerkbanken en schoollokalen, altijd akelig eten: laatrealistische runderlapjes, postnaturalistische spruitjes en neoburgerlijke vla toe! En vreugdeloze dronkenschap! En de uitzichten over natte daken! En theologische tobberijen! Nota bene!’

Wat te doen als je als fictief personage niet tevreden bent met de povere verbeelding van je schepper? Je zou je kunnen beklagen bij de auteur, zoals de hoofdpersoon in Alex van Warmerdams film Ober deed. Maar Linus Kalmoes heeft een andere list bedacht: hij is zelf aan het schrijven geslagen, schriften vol, in de hoop dat hij zich zo toegang verschaft tot een wereld die hem wel bevalt.

Dat lijkt te werken. Als Linus door zijn volkse hospita (die praat in neologistische spraakverwarring à la Kees van Kooten) het bed uit wordt getrapt en in gezelschap van haar wereldwijze nichtje Marietje naar buiten wordt gestuurd, blijkt de wereld er een stuk fantasievoller op te zijn geworden. Linus en Marietje beleven tal van avonturen. Zo ontmoeten ze een sadistische vogelverschrikker, gaan langs bij het Sprekend Hoofd van Willebram, sluit Marietje vriendschap met de neoclassicistische ornamenten van een levende fontein en wisselt Linus van gedachten met een straatbende van terroriserende kleuters.

Eerst vindt Marietje Linus maar een rare snuiter, met zijn lange literaire citaten: ‘„Soort Frans,” zei Marietje streng. Au, dat was mis: hij kijkt sip. Leuk houden.’ Maar al gauw merkt ze dat er met deze zonderling veel valt te beleven.

Linus’ vindingrijkheid wordt echter minder gewaardeerd door zijn voormalige werkgevers van de Openbare Leeszaal. Die schakelen een Bilderdijk-citerende dienstklopper in: majoor Harrebomée, vernoemd naar de auteur van het Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal. Linus en Marietje worden gearresteerd en tot de orde geroepen. Dat leidt tot een hilarische en chaotische rechtbankscène in toneelvorm waarin de censor (die optreedt als rechter) schaamteloos flirt met het hoerige allegorische personage ‘Het Woord’.

Enigszins geholpen door een goede fles Fendant de Sion ’46 blijkt de censor opvallend mild en zo komen Linus en Marietje met de schrik vrij. Wel wordt bepaald dat Linus zijn schriften in moet leveren en niet meer mag schrijven.

De literaire rebellie is weer aan banden gelegd, zo lijkt het. Maar zo heeft Paul Marijnis zijn laatste roman niet willen laten eindigen. In het slothoofdstuk van de roman zoekt Linus naar nieuwe middelen om de wereld van de verbeelding voort te zetten, elk einde in een nieuw verhaal te laten beginnen, al kost het zijn eigen bloed.

En daarmee is Waandag meer dan alleen een feestelijke reis door het rijk van de verbeelding. Het is een testament van verbeten liefde voor de literatuur, een liefde die niet uit te blussen valt.