Zonder ingenieurs

Waarom krijgen ingenieurs zelden de status van held in Nederland?

Morgen vindt hierover het symposium Onder Ingenieurs plaats in Groningen.

Het muziekpaviljoen van Philips op de wereldexpositie in 1958. Foto Fototechnische Dienst Philips Fototechnische Dienst Philips

Geen cd’s, geen scheerapparaten met roterende schijven, geen kunstnieren, geen auto’s met automaat, geen waterdichte olievaten, geen Zeeuwse eilanden, geen Zuid-Hollandse eilanden, geen Randstad, geen Flevoland.

Nederland zou er heel anders uit hebben gezien zonder ingenieurs. „Nederland zou er zelfs helemaal niet meer zijn geweest”, zegt geschiedschrijver en biograaf Willem van der Ham. Maar wie kent de mensen die Nederland hebben gemaakt en behouden?

Neem Andries Vierlingh uit de 16de eeuw die met veel inzicht ‘het spel van de zee’ beschreef. De Sint-Elisabethsvloeden hadden een eeuw eerder het land geteisterd en delen van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden weggeslagen. „Door Vierlingh, die begreep hoe de zee gaf en nam en hoe je het best het land kon beschermen met dammen en dijken, zijn die delen nu grotendeels weer terug”, zegt Van der Ham.

En wie kent ingenieur Johan van Veen van Rijkswaterstaat die de watersnoodramp van 1953 al ruim van tevoren zag aankomen? Van Veen, een moeilijke man, waarschuwde voortdurend en had de plannen al klaarliggen. „Het is heel aannemelijk”, zegt Van der Ham die een biografie over hem schreef, „dat het overstromen van de gehele Randstad werd voorkomen doordat Van Veen al heel vaak op de zwakke plekken in de Schielands Hoge Zeedijk had gewezen. Het gat in die dijk is op tijd gedicht met een boot.”

Visionair Johan van Veen kende wel het werk van Andries Vierlingh. Maar de redder van de Randstad is niet bekend. Dat is niet goed, zegt Van der Ham, want het kwetsbare Nederland heeft visionairen nodig die vooruit kunnen kijken. Zeker nu het klimaat verandert. Inspirerend voorbeelden van ingenieurs zijn belangrijk.

Hoe kan het dat ingenieurs in Nederland zelden de status van held krijgen? Ook niet als ze het halve land hebben gevormd of gered. Morgen organiseert hoogleraar Geschiedenis en Theorie van Biografie Hans Renders daar een symposium over aan de Rijksuniversiteit Groningen. Van der Ham is een van de sprekers.

Wat Renders verbaast is dat er bijna geen biografieën van ingenieurs zijn. De technici en de natuurkundigen en de wiskundigen en de waterbouwkundigen zitten daardoor niet in het collectieve geheugen van de Nederlanders, meent hij. Ze zijn niet het onderwerp van gesprek. Schrijvers, kunstenaars en politici wel.

Eén reden is dat biografieschrijvers meestal alfa’s z ijn. En alfa’s schrijven het liefst over andere alfa’s, zegt Renders. Dat komt, denkt hij, omdat een biografie schrijven een verhaal maken is. Alfawetenschappers zijn van zichzelf al meer gericht op het maken van een aannemelijk verhaal dan bètawetenschappers, die gegevens zo transparant en betrouwbaar mogelijk moeten presenteren.

Dat maakt het werk voor de biograaf al een stuk makkelijker.

Bovendien begrijpen alfa’s en bèta’s elkaar niet, zegt Renders ook. „Het zijn twee culturen.” Terwijl bèta’s zich over het algemeen wel schamen voor hun gebrek aan basale alfakennis, doen alfa’s dat niet voor hun gebrek aan bètakennis. Renders: „Het is een schande als je Max Havelaar van Multatuli niet hebt gelezen, maar geen schande als je niet weet welke vijf axioma’s aan de stelling van Pythagoras ten grondslag liggen.” Dat zorgt er wellicht voor dat biografen niet zo snel een natuurwetenschapper als onderwerp nemen.

En als laatste: een biografie is vooral interessant als het laat zien dat iemands privéleven van invloed is geweest op zijn publieke leven. Renders: „Dat is spannend bij een politicus. Maar een biograaf die zich afvraagt of in de jeugd van Bohr redenen te vinden zijn voor zijn a toomtheorie, stelt een potsierlijke vraag.”

Het gebrek aan kennis over belangrijke ingenieurs heeft een „dempende werking” op studiekeuze, meent Renders. „Dramatisch weinig studenten kiezen voor een natuurwetenschappelijke opleiding, we hebben in deze richting een heel laag aantal vrouwelijke hoogleraren.” 

Om dat te veranderen, zouden we eigenlijk moeten weten dat de wereldberoemde Nederlandse arts Johan Kolff de kunstnier uitvond. Dat we zonder ingenieur Erik de Vries pas veel later tv zouden hebben gehad. Dat de Rotterdammer Kees Schouhamer Immink aan het begin van de compact disc stond. Dat het Nederlandse Daf autorijden zonder schakelen uitvond.

En dat in het Natlab, het natuurkundig laboratorium van Philips in Eindhoven, aan de lopende band uitvindingen werden gedaan: radiobuizen, medische apparatuur, videorecorders, cd’s, elektrisch scheren. Joep Huiskamp van TU Eindhoven bespreekt in zijn lezing op het symposium onder andere Gilles Holst, de eerste directeur van het Natlab die in 1914 aantrad. Philips wilde een stevige wetenschappelijke basis onder het bedrijf. „Holst trok wereldwijd de beste onderzoekers en ingenieurs aan. Binnen een eeuw groeide Philips gigantisch. Op het hoogtepunt in de jaren zestig had het zo’n 350.000 medewerkers wereldwijd”.

Die dingen moeten we weten, vindt Huiskamp. Dan worden we geïnspireerd om ingenieur te worden. En als dat niet gebeurt, dan begrijpen we in ieder geval waarom Eindhoven niet een klein dorpje is gebleven, maar een grote stad van internationaal belang.

Morgen: Symposium Onder Ingenieurs, De Apedans, Verlengde Oosterstraat 1, Groningen, toegang (hele dag) 50 euro, studenten 35 euro.www.biografieinstituut.nl

‘Zuiderzeeballade’ van Sylvain Poons en Oetze Verschoor

    • Carola Houtekamer