Naar IJmuiden

Driss Tafersiti kwam als jonge man naar Nederland als Marokkaans gastarbeider, via Frankrijk. Hij bleef. In een wekelijks feuilleton schrijft hij over zijn belevenissen.

'Hippies, noemde Mustapha ze, en bedelaars, want alleen bedelaars zitten op de grond. Maar ik vond ze wel bijzonder.' (Foto Vincent Mentzel) Mentzel, Vincent

Ik heb maar een paar maanden in Amsterdam gewoond. Op de derde dag na aankomst ben ik meteen aan de slag gegaan in een fabriek waar groente en fruit werd ingepakt. Al mijn pensiongenoten werkten daar. Ook mijn neef Mustapha.

Omdat ik de taal niet machtig was, mocht ik nog niet aan de lopende band staan. Woorden als ‘snijmachine’, ‘brandgevaar’ en ‘laden en lossen’ zeiden mij niets. Daarom kreeg ik van de chef een bezem in mijn handen geduwd. Ik moest de vloer schoonhouden. Veel werk had ik niet te doen. Mijn collega-gastarbeiders werkten erg netjes, omdat ze bang waren hun baan te verliezen.

Soms was er zo weinig te doen dat de chef mij eerder naar huis liet gaan. Dan ging ik met de tram naar het centrum van Amsterdam. Ik had één wandelroute, en die begon bij het Leidseplein, ging via de Leidsestraat naar de Kalverstraat, dan over de Dam en eindigde bij het Centraal Station, waar ik de tram terug naar huis nam.

Ik vond de binnenstad geweldig. Het was er vol met jongens en meisjes van mijn leeftijd. Ze droegen de raarste kleren, de vreemdste kapsels en keken onbezorgd uit hun ogen. Ik had graag met die mensen opgetrokken, maar ik sprak de taal niet. „Hippies”, noemde Mustapha ze altijd en daar trok hij dan een vies gezicht bij. „Alleen bedelaars zitten de hele dag op de grond.” Bedelaars of niet, ik vond het bijzondere mensen. Ik werd blij van ze. Als ik door het centrum had gewandeld werd ik ook een beetje een hippie.

Maar een echte hippie worden is mij niet gelukt.

Na het sardine-incident waarbij Mustapha en ik het pension van generaal Franco bijna in de fik hadden gestoken, moesten we Amsterdam verlaten. We trokken naar IJmuiden. Daar kende Mustapha Rachid, een jongen waarmee hij eerder had samengewerkt in Amsterdam. Die hielp ons aan een huis in die stad. En die hielp ons ook aan een baan op de visafslag.

IJmuiden was anders dan Amsterdam. In IJmuiden waren alleen visboeren. Die droegen geen rare kapsels of rare kleren. En die gingen al helemaal niet op de grond zitten om liedjes te zingen. Het was wennen. IJmuiden deed mij een beetje aan Lille denken. Er was niet veel te beleven. Zelfs de zee was grijs. Maar misschien was het wel goed zo. In het saaie IJmuiden had ik eindelijk de kans om eens goed na te denken.

Ik was eenentwintig jaar. Binnen twee jaar was ik verhuisd van Marokko naar Lille en van Lille naar Amsterdam en van Amsterdam naar IJmuiden.

Daarvoor had ik negentien jaar in een dorp gewoond. In het dorp was geen stroom en bestonden auto’s alleen in verhalen. Ik was nooit op school geweest. Mijn leven bestond uit schapenhoeden, het poten van aardappelen en het plukken van vijgen.

Nu was ik in Europa en droeg ik schoenen met veters, had ik vijf overhemden en een draagbare radio. Er was veel veranderd. Niet alleen uiterlijk, maar ook in mijn hoofd.

Driss Tafersiti

    • Driss Tafersiti