Klink moet stoppen met zijn landelijk EPD

Minister Klink moet niet langer vasthouden aan een landelijk in te voeren EPD. Ga liever uit van regionale netwerken, stellen Arie Nieuwenhuijzen Kruseman en Lode Wigersma.

Artsen hebben in groten getale het bezwaarformulier tegen het landelijk Elektronisch Patiëntendossier (EPD) ingevuld, zo blijkt uit Medisch Contact van deze week (NRC Handelsblad, 13 mei). Zij willen dus zelf niet als patiënt hun gegevens in het landelijk EPD inbrengen. Van de ondervraagde artsen heeft 31,5 procent er niet veel vertrouwen in dat het met het landelijk EPD goed komt. Ook een groot deel van de bevolking, bijna 500.000 mensen, heeft bezwaar gemaakt tegen deelname aan dat EPD.

De artsenorganisatie KNMG is voorstander van elektronische uitwisseling van patiëntgegevens. Dit kan de kwaliteit, veiligheid en efficiency van de zorg verbeteren. De patiënt hoeft niet meer overal hetzelfde verhaal te vertellen en de essentiële, actuele ziektegegevens zijn altijd en voor iedere arts beschikbaar. Daarvoor is echter wel nodig dat artsen de gegevens op dezelfde wijze opslaan, zodat er geen interpretatieverschillen en fouten ontstaan. Ook moeten de gegevens actueel zijn. Ten slotte moeten patiënten ervan opaan kunnen dat onbevoegden er niet bij kunnen.

Maar maatschappelijk draagvlak, dus ook onder artsen en patiënten, is essentieel voor een goed functionerend EPD. Als artsen en patiënten het niet vertrouwen, dan komt er weinig van terecht. We constateren dat het landelijk EPD van de overheid niet op dat draagvlak kan rekenen.

Draagvlak bij de bevolking ontstaat als opslag en uitwisseling van gegevens veilig is, dus als deze voldoende beschermd zijn en als alleen de direct betrokken hulpverleners inzage kunnen krijgen.

Voor draagvlak onder artsen is hetzelfde nodig; bovendien moeten de gegevens niet foutgevoelig zijn en moeten de voordelen van gegevensuitwisseling in de dagelijkse praktijkvoering blijken. Dat is het geval bij de intensief gebruikte regionale elektronische systemen, waarin momenteel al de gegevens van zo’n acht miljoen patiënten worden uitgewisseld.

Maar dat geldt niet voor het landelijke EPD. Dit is tot nu toe een te veel vanaf de tekentafel buiten de praktijk bedacht ontwerp en roept veel vragen op, onder andere over de bruikbaarheid in de praktijk, de bescherming van de privacy, maar ook over de betrouwbaarheid van de opgeslagen gegevens, het feit dat het systeem nog onvoldoende getest is, en de te optimistische prognose van VWS over de termijn van invoering.

Dat veel artsen hier ook hun twijfels over hebben, blijkt uit het onderzoek in Medisch Contact. De KNMG heeft trouwens deze bezwaren al geruime tijd geleden bij de Tweede Kamer, en onlangs nog bij de Eerste Kamer aanhangig gemaakt.

De KNMG tracht, samen met federatiepartners als LHV en de Orde, de minister te bewegen meer oog te hebben voor de haalbaarheid en meent goede alternatieven aan te kunnen dragen.

Om het draagvlak onder artsen en patiënten optimaal te gebruiken, heeft de KNMG voorgesteld dat het EPD moet worden gebaseerd op de regionale elektronische systemen voor gegevensuitwisseling. Die moeten overigens wel verbeterd worden, zodat ze aan alle vereisten van veiligheid voldoen. Op die wijze kan volgens de KNMG beter worden toegewerkt naar een landelijk dekkend EPD, dan via het traject van het ministerie van VWS.

De KNMG heeft het ministerie van VWS herhaaldelijk uitgenodigd om de twee opties, de bottom-upontwikkeling vanuit de regionale systemen versus de top-downontwikkeling die het ministerie van VWS wil, serieus te vergelijken. VWS reageerde hier vooralsnog terughoudend op. Maar een EPD komt er alleen als er voldoende draagvlak voor is bij de artsen en de bevolking.

Rest ons enkele misverstanden over het EPD te corrigeren. Het EPD is géén centraal opgeslagen dossier: elke arts blijft verantwoordelijk voor de bij hem opgeslagen gegevens. Die data kunnen, als de patiënt akkoord gaat, voor andere hulpverleners beschikbaar komen via de elektronische snelweg. Niet alle hulpverleners kunnen alle patiëntgegevens inzien; een hulpverlener kan alleen de voor hem relevante gegevens inzien.

Het EPD is niet minder veilig dan de uitwisseling van gegevens via papier, email of fax, integendeel. Deze manier van uitwisselen van gegevens was veel onveiliger dan via het EPD. Wel is het EPD in principe voor veel meer hulpverleners toegankelijk dan het schriftelijke dossier vroeger, dus de beveiliging vraagt veel meer aandacht.

Ten slotte kunnen patiënten gegevens buiten het EPD houden, als zij niet willen dat die gegevens door anderen worden ingezien. Wij pleiten ervoor dat patiënten, als zij dat willen, dat uitsluitend in goed overleg met de huisarts doen, want een onvolledig dossier is gevaarlijk voor met name de patiënt.

Kortom: er leven onder artsen en patiënten weliswaar misverstanden over het EPD maar die doen niets af aan de vraag of het ministerie nu wel op de goede weg is met het landelijke EPD. De KNMG denkt van niet. Wij hebben voorstellen gedaan hoe dit schip vlot kan worden getrokken. Nu is het ministerie aan zet.

Arie Nieuwenhuijzen Kruseman is voorzitter van de KNMG. Lode Wigersma is directeur beleid.

Het nieuwsdossier over het EPD staat op nrc.nl/epd.