In dit land

‘21 minuten’ is niet een nieuwe serie van Arjan Ederveen, maar een steeds terugkerende internet-enquête. Waar je eenentwintig minuten over schijnt te doen.

Om mensen ertoe te bewegen eenentwintig minuten van hun kostbare tijd te schenken aan een enquête, zijn er reclamespotjes op radio en tv. Daarin wordt op wervende toon gezegd: „Nederland heeft meer dan ooit antwoorden nodig! Antwoorden die alleen ú kunt geven!”

Het klinkt nogal paniekerig. Méér dan óóit. Antwoorden. In Nederland. Wat was de vraag eigenlijk? Maakt niet uit: antwoorden, die hebben we nodig. (Ik zou zeggen dat Nederland in 1942 veel meer antwoorden nodig had, maar nee.)

Daarnaast is opvallend dat het alleen Nederland is, dat antwoorden nodig heeft. En niet: de wereld, ofzo. Het is een trendje: sinds het begin van ‘de crisis’, schat ik, is het gebruikelijk om gevoelens van vage dreiging te verwoorden met een verontwaardigd ‘in dit land’ of ‘in Nederland’. Luister naar een debat in de Tweede Kamer, en binnen een kwartier heeft iemand gezegd: “Het kan in dit land toch niet zo zijn dat we de hogere inkomens belonen over de ruggen van de minima?” Of “Goddank zijn we in dit land bereid om na te denken over een toekomst zonder fossiele brandstoffen.”

In beide voorbeelden zou je ‘in dit land’ ook prima weg kunnen laten. Maar ‘in dit land’ geeft iets extra urgents aan de zin. Alsof we vooral dankbaar moeten zijn dat we hier wonen, waar het allemaal nog relatief goed gaat. Terwijl alle doemscenario’s in het buitenland allang realiteit zijn.

Het is ook chauvinistisch. Als je zegt: “We moeten hier in Nederland natuurlijk niet streven naar een samenleving waar iedereen maar doet waar hij zin in heeft”, dan suggereer je dat andere landen daar wel naar moeten streven, of in ieder geval: dat dat niet erg zou zijn.

‘Made in NL’ van Opgezwolle