Heilige verontwaardiging

Vandaag wil ik het opnemen voor een boek dat ik niet gelezen heb.

Ik durf het aan omdat de discussie over dit boek zodanig dreigt te ontsporen dat de hele literatuur erin wordt mee gesleurd. Het gaat om de roman Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje, een boek over de zoektocht van een Joodse jongen naar zijn droomvrouw, ‘de intellectuele negerin’.

Gisteravond was ik op een bijeenkomst in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam, waar Vuijsje zijn boek moest verdedigen tegenover vooral zwarte mensen, overwegend vrouwen. Hij werd zo ongeveer geroosterd op het hete vuur van een verontwaardiging die steeds heiliger vormen aannam.

Zijn boek was racistisch, stigmatiseerde zwarte mensen in het algemeen en zwarte vrouwen in het bijzonder, het bracht de Bijlmer in diskrediet en het ondermijnde de toekomst van zwarte jongeren. Een zwarte man, je kon erop wachten, maakte de vergelijking met Mein Kampf.

Het was het enige moment waarop Vuijsje kwaad werd. Voor het overige liet hij zich nogal gelaten ondersneeuwen door de lawine van kritiek. Een uurtje later moest hij zijn boek alweer op de tv bij Pauw & Witteman verdedigen. Hij maakte een aangeslagen indruk toen hij er arriveerde, zei Witteman. Geen wonder.

Wat was er in die zaal aan de hand? Begrepen ze het boek niet?

Ik denk eerder dat ze de functie van literatuur, en dan vooral van fictie, niet begrepen. De schrijver werd volledig vereenzelvigd met zijn hoofdpersonage, de werkelijkheid van het boek werd op de werkelijkheid van de Bijlmer gelegd. De roman bestond niet meer, het was een journalistiek feitenrelaas geworden waarin geen ‘eerlijk beeld’ van de zwarte samenleving werd gegeven.

Vuijsje kon tegensputteren wat hij wilde over de creatieve vrijheid van de fictieschrijver, hoon was zijn deel. Hij kwam in de positie van de toneelspeler die bij de uitgang door boze bezoekers wordt geattaqueerd, omdat hij zo’n slecht mens heeft uitgebeeld. Het is alweer heel lang geleden dat zoiets in het theater wel eens gebeurde, maar rond de literatuur blijft het een terugkerend verschijnsel.

En steeds weer lopen die discussies op niets uit. De boeken blijven, de bezwaren verstommen. Hermans was een zogenaamde fascist in Ik heb altijd gelijk, Jan Wolkers een pornograaf in zijn vroege verhalen, Frans Kellendonk een antisemiet in Mystiek Lichaam.

Veel lezers willen niet begrijpen dat een roman een proeftuin van de verbeelding is, waarin taboes taboe zijn en de schrijver ook het onkruid mag laten groeien. Als hij ideologische propaganda wil bedrijven, schrijft hij een slechte roman en kan hij daar op worden afgerekend.

Nederland heeft niet het patent op dergelijke discussies. De verontwaardiging over Alleen maar nette mensen doet denken aan wat Philip Roth overkwam nadat hij Portnoy’s Complaint had gepubliceerd. Roth werd Joodse zelfhaat en seksueel exhibitionisme verweten. Een rabbi eiste van hem een ‘evenwichtige schildering van Joden’.

Roth heeft zich omstandig verdedigd. In het essay Schrijven over Joden raakt hij de kern: „De romanschrijver stelt zichzelf de vraag: ‘Wat dénken de mensen?’; de public-relations-man vraagt: ‘Wat zullen de mensen denken?’”

En nu ga ik dat boek van Vuijsje lezen.