Een voorspelling uit 1955

Onlangs stond er in Le Monde een correspondentie uit Moskou die mijn gedachten terugvoerden naar het midden van de vorige eeuw. De reportage ging over de zorgen die Rusland zich maakte over de demografische dreiging die 1,3 miljard Chinezen uitmaakten voor de immense leegten van aangrenzend Siberië. Nu al wonen er officieel 35.000 Chinezen, maar de Russen geven toe dat het er tussen de 400.000 en 700.000 kunnen zijn.

Waar had ik lang geleden zoiets dergelijks gelezen? Was het niet in een studie die verschenen was als nummer in een reeks geschriften, uitgegeven door een toen al niet meer bestaande universiteit in een stad die van naam veranderd was? Ik meende mij zelfs nog de naam van de auteur te herinneren: Starlinger of zoiets.

En inderdaad: na enig speurwerk kwam ik erachter dat in 1955 een zekere Wilhelm Starlinger, medicus, in de Beihefte zum Jahrbuch der Albert-Universität Königsberg/Pr. een bericht had gepubliceerd over zijn ervaringen tussen 1948 en 1954 als politiek gevangene in de Sovjet-Unie.

De Albert-Universiteit in Koningsbergen (Oost-Pruisen) bestaat – bestond al in 1955 – niet meer, want de Russen hebben heel Oost-Pruisen geannexeerd. De hele Duitse bevolking is gevlucht of verdreven, en Koningsbergen heet sindsdien Kaliningrad. Maar kennelijk hebben hoogleraren en alumni van de oude universiteit nog enige tijd in West-Duitsland een zeker verband gehandhaafd, zich o.a. uitend in het uitgeven van die Beihefte.

De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag bleek Starlingers studie te hebben, en zo kreeg ik, na ruim vijftig jaar, haar weer in handen. Starlinger was geneesheer-directeur van een ziekenhuis in Koningsbergen geweest en daar gebleven toen de Russen de grotendeels vernielde stad in 1945 veroverden. In 1948 werd hij wegens ‘contrarevolutionaire gezindheid en houding’ tot tien jaar dwangarbeid veroordeeld.

Eind 1953 voortijdig vrijgelaten, schreef hij in West-Duitsland zijn bericht. De titel ervan luidt Grenzen der Sowjetmacht, maar het is voor ongeveer de helft een verslag – de auteur spreekt over zichzelf voortdurend als ‘de verslaggever’ – van wat hij als arts heeft meegemaakt in de drie jaar dat hij nog ‘vrij’ was, voorzien van de nodige tabellen.

De tweede helft gaat over zijn ervaringen in het kamp. Essentieel daarbij is te weten dat hij geen krijgsgevangene was, maar politiek gevangene. Daardoor ontmoette hij in zijn kamp veel lotgenoten van andere nationaliteit, ook veel Russen. Tussen de intellectuelen kwam blijkbaar allengs geregeld contact tot stand, en zo kon Starlinger berichten over wat de Russen bezighield, en dat was o.a. China. Dat deel van het bericht beslaat niet meer dan twintig van de in totaal 130 bladzijden. Blijkens de vele gesprekken die Starlinger met zijn Russische medegevangenen had, maakten die zich zorgen over de toen nog slechts halve miljard Chinezen aan de oostgrens en hun „onstilbare landhonger”. Naar het westen of zuiden konden zij niet uitwijken, dus de immense Siberische ruimten boden de enige uitweg. Dit was een biologisch proces, dat grote geopolitieke gevolgen zou hebben. Volgens Starlinger zou Amerika, vroeg of laat, tot een akkoord met China moeten komen.

Hoe kwam dit bericht mij indertijd onder ogen? Dat kan ik niet meer helemaal reconstrueren, maar wel weet ik dat ook de toenmalige bondskanselier, Konrad Adenauer, er kennis van had genomen en er zo van onder de indruk was gekomen, dat hij zijn vriend John Foster Dulles, president Eisenhowers minister van Buitenlandse Zaken, ervan in kennis stelde.

Die was echter blind voor de kansen die een potentieel Russisch-Chinees conflict voor Amerika bood. Voor hem waren alle communisten één pot nat, en die moest, waar ook, bestreden worden (voor Tito maakte hij een uitzondering; daarin was hij onze toenmalige PvdA zelfs nog voor). In 1960, één jaar na Dulles’ dood, brak er inderdaad een conflict tussen China en de Sovjet-Unie uit. Pas in 1972 zouden president Nixon en zijn raadgever Henry Kissinger daaruit de consequenties trekken, daarmee een soort renversement des alliances bewerkstelligend.

Maar voor de goede waarnemer waren de kiemen van zo’n conflict al in de jaren vijftig merkbaar. In 1954 deed een delegatie uit de Labour-partij, toen in de oppositie, Moskou aan op weg naar China. In Moskou kreeg zij de – voor haar verrassende – boodschap mee de Chinezen te waarschuwen voor het scheppen van moeilijkheden. Maar Washington was blind voor deze signalen, Den Haag trouwens ook (maar dat was van mindere betekenis).

Aan dit alles moest ik terugdenken toen ik die correspondentie in Le Monde las. Volgens Russische experts wordt twintig miljoen hectare aan bebouwbaar land aan de Russische kant van de Russisch-Chinese grens niet geëxploiteerd, wat Rusland voor de Chinezen tot een „agrarisch eldorado” maakt. Gezien de dramatische cijfers van Ruslands demografische toestand, zullen de Russen niet zo gauw opbrengst kunnen halen uit die braakliggende ruimten – tenzij zij een beroep zouden doen op de Chinezen, die ook over moderner materieel beschikken dan het verouderde tuig uit Sovjetdagen.

Ook hier manifesteert zich dus, bijna onmerkbaar voor de tijdgenoot, het langzame, onverstoorbaar proces van de veranderingen die ten grondslag liggen aan de loop der zichtbare geschiedenis. Het is waar dat, volgens het bijbelwoord, elke dag genoeg heeft aan zijn eigen kwaad, maar het is goed zo nu en dan te bedenken dat er ook een morgen is en een overmorgen, al weten we niet hoe die eruit zullen zien.

Wilt u reageren? Mail de auteur via dezerdagen@nrc.nl of laat een reactie achter op nrc.nl/heldring

    • J. L. Heldring