NSB-kinderen krijgen al veel aandacht

Het NIOD luistert heus wel naar NSB-kinderen. Maar onderzoek naar de maatschappelijke context is nu eenmaal onmisbaar om te begrijpen wat individuen hebben meegemaakt, meent Ismee Tames.

Chris van der Heijden heeft naar aanleiding van mijn boek Besmette jeugd kritiek op het NIOD (Opiniepagina, 8 mei). Hij komt met interessante ideeën, maar slaat ook de plank mis.

In de eerste plaats feitelijk: het vooronderzoek, waaruit mijn boek voortkomt, is mede gesubsidieerd door het ministerie van VWS, maar ons onderzoeksprogramma ‘Erfenissen van collaboratie’ wordt geheel betaald door de wetenschappelijke onderzoeksorganisatie NWO.

De kern van Van der Heijdens kritiek is dat het NIOD nog altijd op een ‘Loe de Jongachtige’ wijze de ‘foute’ Nederlanders „buitenspel” zet. Besmette jeugd zou dit met hun kinderen doen. Ik vraag me af waar dat idee vandaan komt. Tijdens mijn onderzoek heb ik iedereen uitgenodigd om contact op te nemen. Kinderen van NSB’ers die hun verhaal kwijt wilden, wisten me dan ook te vinden. Met een flink aantal mensen heb ik uitgebreid gesproken over hun jeugd. Hun verhalen zijn in het boek verwerkt.

Van der Heijden vindt dat het NIOD beter een bronnenpublicatie had kunnen verzorgen dan een historische studie. Bronnenpublicaties zijn tenminste objectief, suggereert hij op gezag van A.E. Cohen. Daar valt over te discussiëren, maar Cohen heeft er zeker niet voor gepleit om van geschiedschrijving af te zien. Natuurlijk ligt er bij het NIOD een schat aan informatie die voor iedere Nederlander toegankelijk moet zijn. Er zijn daarom al bronnenpublicaties uitgegeven. Maar veel archieven lenen zich niet voor integrale publicatie. Het zouden onleesbare boekwerken opleveren. Vandaar dat steeds meer bronnen online zijn te raadplegen.

Anders dan Van der Heijden suggereert is er de afgelopen decennia steeds meer aandacht gekomen voor kinderen van NSB’ers: Werkgroep Herkenning werd opgericht, er verschenen interviews, levensverhalen en rapporten. Besmette jeugd brengt iets nieuws. Het geeft inzicht in de maatschappelijke context waarin deze levensverhalen zich voltrokken. Wat gebeurde vlak na de bevrijding met deze kinderen? Wie zorgden voor hen als hun ouders werden gearresteerd? Werden zij als groep apart gehouden en buitengesloten? Al dit soort vragen komen aan de orde. Deze vragen zijn niet alleen te beantwoorden door interviews. Er is ook archiefonderzoek nodig naar de instanties die zich met deze kinderen bezighielden.

Een van de belangrijkste uitkomsten van mijn onderzoek is dat de overheid een snelle integratie wilde. Dit was een harde integratiepolitiek: óf je accepteerde het heersende verhaal over ‘goed’ en ‘fout’ óf je hield je mond. In veel voormalige NSB-gezinnen werd dit niet als integratie gezien, maar als afwijzing – naar hun kant van het verhaal werd niet gevraagd. Menig oud-NSB’er voelde zich daardoor miskend. Sommige kinderen, die hun ouders vaak als liefdevolle mensen kenden, namen dit gevoel over.

Van der Heijden benadrukt herhaaldelijk dat ‘foute’ Nederlanders nooit hun verhaal mochten doen. Het is een verwijt aan de samenleving. Gek genoeg verwijt hij het ook ons onderzoeksprogramma ‘Erfenissen van collaboratie’, terwijl wij juist onderzoeken wat met deze groep de afgelopen zeventig jaar is gebeurd.

Van der Heijden maakt bovendien paternalistische opmerkingen over „jonge historici die met het onderwerp geen enkele affiniteit hebben”. Maar wie heeft bepaald dat alleen ervaringsdeskundigen goede historici zijn?

Wij willen weten hoe in Nederland over ‘goed’ en ‘fout’ werd gedacht. Onderzoek naar de maatschappelijke context is onmisbaar om te begrijpen wat individuele mensen hebben meegemaakt. Dat heeft niets met buitenspel zetten te maken, maar alles met de ambitie bij te dragen aan kennis van het verleden.

Dr. Ismee Tames is historicus en politicoloog. Zij is als onderzoeker en projectcoördinator verbonden aan het NIOD.

    • Ismee Tames