Hoe Geert Wilders de begrippen van links heeft gekaapt

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: waarom de PVV zo moeilijk te bestrijden is.

Nu de PVV van Geert Wilders virtueel de tweede – en in sommige peilingen zelfs de grootste – partij van Nederland is, begint de nervositeit bij de gevestigde politieke orde zienderogen toe te nemen. Het CDA haastte zich onlangs te zeggen dat het „nog geen verkiezingstijd” is, maar voegde er wel aan toe een coalitie met de PVV niet op voorhand uit te sluiten. Dat stuitte prominent CDA-lid en partijideoloog Anton Zijderveld dusdanig tegen de borst, dat hij onmiddellijk zijn lidmaatschap opzegde. Ook de VVD zit zichtbaar met haar verloren zoon in de maag: de liberalen hebben nu zelfs een spion, die de besloten bijeenkomsten van Wilders in de gaten houdt.

Ter linkerzijde is de angst eveneens groot. Partijen als de PvdA en GroenLinks moeten vaak met lede ogen toekijken hoe de PVV het debat op hún thema’s domineert. Of het nu gaat om de vrijheid van meningsuiting, de integratiekwestie of de rechten van vrouwen en homo’s, steeds weet vooral Wilders de camera’s op zich gericht. Alleen D66 lijkt van deze aandacht te profiteren. Partijleider Alexander Pechtold profileert zich met succes als de antithese van de PVV. Toch lijkt ook dat succes eerder te danken aan de opkomst van Wilders dan dat het echt ten koste van hem gaat.

De kracht van de PVV is natuurlijk grotendeels politiek van aard: Geert Wilders is een geslepen politicus. Hij heeft een feilloos gevoel voor de thema’s die bij zijn achterban leven en verwoordt zijn standpunten bovendien op een manier die veel kiezers aanspreekt. Toch heeft zijn succes ook een meer politiek-filosofische oorzaak. Wilders heeft namelijk het filosofische vocabulaire van zijn tegenstanders gekaapt.

De begrippen waar hij zich – impliciet en expliciet – veelvuldig op beroept, zoals ‘vrijheid’, ‘gelijkheid’, ‘autonomie van het individu’ en ‘rechtsstaat’, zijn namelijk termen uit de Verlichting die van oudsher altijd hebben toebehoord aan de links-liberale traditie. Het politieke gogme van Wilders bestaat eruit dat hij die termen weet in te zetten ten gunste van een politiek programma dat haaks op die traditie staat. Daarom kunnen zijn tegenstanders vaak niet veel meer doen dan verbijsterd toekijken: ze worden bestreden met hun eigen begrippenapparaat.

Om deze omkering te begrijpen, is het van belang te weten hoe die Verlichtingsbegrippen in eerste instantie waren bedoeld. Het klassieke liberalisme, zoals geformuleerd door grondlegger John Stuart Mill (1806-1873), is van oudsher altijd een positieve en progressieve ideologie geweest, gebaseerd op vertrouwen. Dat wil zeggen, de klassieke – in Nederland: linkse – liberaal gaat ervan uit dat het kwaad in de wereld niet zozeer voortkomt uit de mens zélf, maar uit de maatschappelijke instituties en omstandigheden die hem onderdrukken en corrumperen.

De Amerikaanse filosoof Stanley Fish (1938), auteur van onder andere het provocerende essay Liberalism Doesn’t Exist (1994), stelt dan ook terecht vast dat de meest fundamentele premisse waarop het liberalisme is gebaseerd, luidt dat „de mens van nature goed is”. Op grond van die aanname komt de liberaal vervolgens tot de conclusie dat een rechtvaardige samenleving kan worden bewerkstelligd door de mens zoveel mogelijk van de hem omringende machtsconstructies te bevrijden – door middel van onderwijs, gelijke rechten en ruimte voor zelfontplooiing.

Rechtse politici, in het bijzonder rechtse populisten zoals Wilders, verschillen juist op dit fundamentele punt in hun mens- en wereldbeeld van de klassieke liberaal. Zij beschouwen de mens meer vanuit de traditie van Thomas Hobbes (1588-1679) en Friedrich Nietzsche (1844-1900): als een „verzameling verlangens” die, door zijn niet-aflatende „wil tot macht”, voortdurend op zoek is naar de grenzen van het toelaatbare in zijn poging „anderen te domineren”.

Volgens Hobbes was de ‘natuurtoestand’ van de mens dan ook niet rechtvaardig, maar eerder het omgekeerde: een „oorlog van allen tegen allen”. Vanuit dit perspectief luidt de logische conclusie dat een rechtvaardige samenleving alleen kan worden bewerkstelligd door de mens juist zoveel mogelijk aan de hem omringende maatschappelijke instituties en omstandigheden te binden: die ‘onderdrukken’ zijn goede aard niet, maar houden zijn kwaadaardige impulsen juist ‘in toom’.

De grote politieke truc van Geert Wilders is derhalve dat hij het progressieve vocabulaire van Mill heeft gekoppeld aan het conservatieve wereldbeeld van Hobbes. Dit stelt hem in staat de betekenis van de klassiek liberale begrippen uit de Verlichting om te draaien. Zo beroept hij zich niet op de vrijheid van meningsuiting om – zoals Mill beoogde – een onderdrukte minderheid een stem te geven, maar om de dominante meerderheid te beschermen tegen de veronderstelde dreiging van de islam.

Met het begrip ‘gelijkheid’ doet hij hetzelfde: Wilders strijdt niet, uit naam van gelijke rechten, voor de emancipatie van moslima’s en moslimhomo’s – zoals Mill zou hebben gewild. Nee, hij draait het om: hij wil andersdenkenden, uit naam van die gelijkheid, hun burgerrechten ontnemen. Het begrip ‘autonomie van het individu’ ten slotte ondergaat een soortgelijke Hobbesiaanse omkering: Wilders belooft mensen geen zelfstandigheid door ze (middels onderwijs) te bevrijden, maar door ze (middels een immigratiestop) van de op macht beluste ‘moslimkolonisten’ te verlossen.

Door deze retorische trucs kunnen linkse liberalen niet veel meer doen dan machteloos toekijken hoe Wilders keer op keer het debat naar zich toe trekt. Zij kunnen namelijk zijn doelstellingen onmogelijk onderschrijven – die staan haaks op hun gedachtegoed – maar hebben tegelijkertijd (letterlijk) geen woorden meer tot hun beschikking om hem erop aan te vallen: die zijn immers van hun afgepakt.

Deze machteloosheid is goeddeels de verdienste van Wilders, maar volgens Fish is zij ook deels te wijten aan de linkse liberalen zelf. Want, zegt Fish, liberalen hebben door hun wereldbeeld „een grote minachting voor retoriek”. Hun vertrouwen in de natuurlijke goedheid van de mens is namelijk gebaseerd op het uitgangspunt van Verlichtingsdenker Immanuel Kant (1724-1804) dat alle mensen beschikken over een ‘rationeel vermogen’, waardoor zij – door logisch na te denken – uiteindelijk allemaal als vanzelf overtuigd zullen raken van dezelfde morele waarheid. Of anders gezegd: liberalen gaan ervan uit dat dankzij de rede „de feiten slechts voor zich hoeven te spreken” en denken dus dat mensen – als zij die feiten eenmaal inzien – „automatisch voorstander worden van het liberale gedachtegoed”, aldus Fish.

Volgens de filosoof is dit de „grote misvatting”, waarmee liberalen zichzelf bijna moedwillig „buitenspel zetten” in de politieke arena. In de politiek bestaan namelijk helemaal geen feiten die ‘voor zich’ spreken en die mensen op rationele wijze tot het aannemen van bepaalde morele principes zouden kunnen bewegen: politiek is een retorisch machtsspel. Feiten zijn namelijk per definitie „ingebed in de context van een politieke agenda”, zegt Fish.

Het gaat er dus niet om wie gelijk hééft, zoals de linkse liberalen denken, maar om wie gelijk krijgt. En omdat rechtse politici de wereld al van meet af aan beschouwen als een ‘strijd om macht’, schuwen zij ook veel minder de „retorische machtsmiddelen” om het gelijk aan hun zijde te krijgen. Linkse politici rest dan vaak niet veel meer dan hun tegenstanders betichten van ‘populisme’, ‘gevaarlijke retoriek’ en ‘verdraaiing van feiten’.

Het grote probleem van de linkse liberalen is volgens Fish, kortom, dat zij zich door hun naïeve filosofische aannames over de redelijkheid van de mens „verheven voelen boven het machtsspel dat politiek heet”. Daardoor staan zij vaker dan hun lief is al bij voorbaat op een achterstand: ze durven het debat niet met retorische trucs te voeren – of weigeren het principieel. Zij zien politiek immers meer als een filosofische exercitie dan als een woordenstrijd.

Dat leidt in de praktijk tot de absurde situatie dat linkse politici de vrijheid van meningsuiting van Geert Wilders principieel blijven verdedigen als een ‘onvervreemdbaar grondrecht’, terwijl ze zijn gedachtegoed ten diepste verachten. Rechtse populisten zouden dat volgens Fish nóóit doen: zij zouden, in hun strijd om macht, iedere tegenstander onmiddellijk de mond proberen te snoeren.

De enige manier voor links om uit de houdgreep van rechts te geraken is volgens Fish dan ook door hun vocabulaire „op retorische wijze te heroveren”. Dat is echter gemakkelijker gezegd dan gedaan, erkent ook de filosoof: politici die teren op wantrouwen in de mens en die waarschuwen voor potentiële gevaren, hebben nu eenmaal gauw een voorsprong op politici die uitgaan van het goede en het progressieve. Er hoeft immers maar eens in de zoveel tijd een gek een aanslag te plegen, zoals op Koninginnedag, en het gelijk van de populist lijkt weer bevestigd. Bovendien: goed nieuws is géén nieuws, dus gestage vooruitgang in de samenleving is veel moeilijker te bewijzen.

Waar de linkse liberaal dus vooral op moet hopen, zegt Fish, is dat de rechtse populist zijn hand overspeelt – en het politieke tij zich tegen hem keert. Zo heeft Barack Obama ook de verkiezingen in de Verenigde Staten gewonnen. Maar let wel: Obama schuwde daarbij de bombastische retoriek niet; zo wist hij het vocabulaire van ‘morele rechtschapenheid’ en ‘democratie’ van de Republikeinen af te pakken.

Laat dat, ook in Nederland, een wijze les voor links zijn.