Great Recession

De term Great Recession lijkt aan de winnende hand. Voor zover ik weet, heeft de economisch historicus Niall Ferguson hem eind vorig jaar gemunt, maar het feit dat de term blijft hangen, is natuurlijk belangrijker. Want wat zegt dat? Enerzijds dat we het laatste jaar getuige zijn van iets groots, van historische omvang, en dat we rustig mogen associëren met de breuklijnen die de crisis van 1929 – de Great Depression – in de samenleving en in de wereldverhoudingen teweeg heeft gebracht.

Maar een depressie noemen we het dit keer niet, zover zal het niet komen. Kortom, met de omarming van Great Recession voor de financiële en economische crisis van 2008 lijken we te willen zeggen dat er iets ingrijpends is gebeurd, maar ook weer niet zo enorm ingrijpend. Je zou dat met wat goede wil een evenwichtige duiding van de gebeurtenissen kunnen noemen of – met wat minder goede wil – een nette manier om aan te geven dat we het eigenlijk nog niet weten.

De Amerikaanse beleidsmakers hebben hun kaarten op tafel gelegd: meer regels, meer toezicht en verder alle krokussen koesteren die de kop op zouden kunnen steken. Dan kunnen de banken weer winst maken en geleidelijk aan weg groeien uit hun balansmisère.

Natuurlijk zal Wall Street een toontje lager moeten zingen, maar het was ook te gek voor woorden dat de financiële sector op een goed moment bijna de helft van alle winsten in het Amerikaanse bedrijfsleven genereerde. „Het betekent dat meer talent, meer middelen naar andere sectoren van de economie zullen gaan, en dat is gezond”, aldus president Obama vorige week in een lang, bedachtzaam gesprek met The New York Times columnist David Leonhardt. En verder: „Een krachtiger toezicht zal het vertrouwen herstellen en dan zul je blijven zien dat veel kapitaal in de wereld een plek in de Verenigde Staten zal zoeken.”

Dan moet het natuurlijk wel mee zitten. Dat wil zeggen dan moet het ergste van de recessie inderdaad geleidelijk aan in zicht komen.

Je kunt ook anders redeneren: de Amerikaanse elite, inclusief de belangrijkste bestuurders Tim Geithner (minister van Financiën) en Larry Summers (chef-adviseur), zit ingeklemd tussen enerzijds de vrees dat Wall Street verder afbrokkelt en anderzijds de vrees dat het volk niet langer wil opdraaien voor nieuwe reddingsoperaties van de staat. Doormodderen en hopen op het geluid van eerste krokussen ligt dan veel meer voor de hand dan krachtig ingrijpen, met nationalisaties en faillissementen – noem het de Great Clean Up.

Economen als Paul Krugman en Joe Stiglitz – allebei Nobelprijswinnaars trouwens – bekritiseren de koers van Obama nu al enkele maanden. Met zwakke banken herstelt een economie niet. Amerika staat een hele reeks van nulgroeiachtige jaren te wachten. Het wordt net als Japan, met een futloos decennium in het verschiet. Of misschien nog erger, zo waarschuwen zij.

President Obama zelf lijkt er nog niet helemaal uit te zijn: „Ik lees alles wat Joe (Stiglitz) schrijft en ik wil hier met ze in een voortdurend debat.”

Dit Amerikaanse debat is prikkelend. (En eerlijk gezegd een verademing, omdat ook de reacties van veel burgers via websites zo vrij zijn van het hier gebruikelijke schelden en beledigen, maar dat tussen haakjes.)

En een debat met serieuze implicaties. Succesvol doormodderen betekent dat alles geleidelijk aan weer een beetje kan gaan lijken op hoe het was. We zijn dan toch vooral getuige geweest van een technische crisis, veroorzaakt door teveel complexiteit en natuurlijk de gebruikelijke hebzucht, maar die is van alle tijden.

De wederopstanding van Wall Street komt dan vroeg of laat ook wel weer. En alle grote woorden over de morele of maatschappelijke crisis, de crisis in de globalisering, blijken dan schromelijk overdreven. De financiële crisis moet dan nog slechts een laatste fase, die van het zelfreinigende amusement, passeren: een aantal al te notoire graaiers wordt op het elektronische dorpsplein opgeknoopt, wereldrecordhouder Bernard Madoff bekeert zich in de gevangenis tot het boeddhisme of zoiets en zijn vrouw doet haar memoires bij Oprah Winfrey uit de doeken. Met dit type taferelen kan de Great Recession dan worden afgesloten.

De kans dat het met zo’n sisser afloopt, lijkt gering. Ten eerste moet alle werkelijk zichtbare ellende nog komen – Amerika schuift in de richting van de 10 procent werkloosheid, maar is daar nog niet. Ten tweede moet de echte strijd om de verdeling van middelen nog worden gevoerd, want de geldkraan kan geen jarenlang ongestraft open blijven staan. Ten derde is schoksgewijs zichtbaar geworden wat al langer aan de gang was, namelijk een verschuiving van financiële macht en potentie in de wereld. En ten vierde is binnen Amerika zelf macht verplaatst: Wall Street maakte vele jaren de dienst uit, betaalde praktisch voor elke senatorcampagne, was, kortom, het centrum van financiële, politieke en ideologische zwaartekracht. Dat is Wall Street nu in elk geval even kwijt.

Verplaatsing van macht heeft altijd gevolgen. Wat de Amerikaanse president betreft, wordt zijn land sociaal-democratischer, met meer oog voor de middenklasse, voor het onderwijs en de gezondheidszorg. Maar in het Japanse scenario van jarenlange stagnatie zal daar weinig van terecht kunnen komen. Dan wordt het land, zoals we het niet kennen: chagrijnig, ontevreden, futloos. Met vervolgens een open speelveld voor populisten van het rauwere soort.

Kortom, de Great Recession, is de aardigste werktitel voor wat er is gebeurd, maar voorlopig ook niet meer dan dat.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/knapen

    • Ben Knapen