De geschiedenis van een ruzie

Waar gaat de heibel rond het Nationaal Historisch Museum over?

Niet over de vraag die al twee jaar geleden beantwoord had kunnen worden: moet het überhaupt?

Nee natuurlijk. Het was een stokpaardje van Jan Marijnissen, die in de geglobaliseerde wereld de eigenheid van Nederland wilde terugvinden, en dacht haar in een museum te kunnen opbergen. Ondanks zijn grote kennis van de vaderlandse geschiedenis wist hij niet dat onze identiteit ongeveer om de vijftig jaar radicaal verandert, dus dat je op die manier wel musea kunt blijven bouwen.

Groot was de geestdrift van Ronald Plasterk. Die wil graag iets blijvends nalaten, zoals Mitterrand Parijs een nieuwe Bibliothèque Nationale schonk. Musée Plasterk! Het water liep hem al in de mond. Hij wees onmiddellijk een vestigingsplaats aan: Arnhem, naast het Openluchtmuseum, en benoemde een paar mensen om de boel verder af te regelen. Eén van hen was het VVD-Kamerlid Atzo Nicolaï, die voorzitter werd van de Raad van Toezicht van het museum i.o. Zijn stem heb ik in de discussies nog niet gehoord, maar dat is logisch, want hij is druk met een wet waarbij je iedereen die Polak, Cohen of Uierkruier heet voor rotjood mag uitschelden, als je hem maar niet vergast.

Twee andere benoemingen golden directeuren i.o. Eén van hen, Erik Schilp, kwam in opspraak omdat hij een andere locatie begeerde. ‘Het historisch museum’, merkte hij op over een bestemming naast het Openluchtmuseum, ‘zou gebouwd worden op de huidige parkeerplaats. Bezoekersauto’s moeten dan in een parkeergarage onder het gebouw, en dat kost vele tientallen miljoenen euro’s. De plek naast de John Frostbrug is goedkoper en sneller te realiseren’.

Every inch de historicus.

Maar Plasterk had toch van meet af aan gedroomd van een knus familiemiddagje Bedriegertjes, Openlucht én Historisch? Godzijdank wilde de minister er geen ponteneurszaak van maken. Als Musée Plasterk er maar kwam.

Schilp wist zich door de Kroon gedekt, en gooide ook de afspraak inzake de canon (van Van Oostrom) overboord. ‘Het verleden alleen heeft geen betekenis’, luidde perslot een van zijn aforismen – het moet z’n betekenis verdienen. Zulke mensen doen me altijd het meest denken aan populisten die namens een beweging Kamerlid zijn geworden, en kiezers oproepen om samen met hen het parlement uit te schakelen.

Voor het beoogde museum zitten we voorlopig dus met één minister, twee directeuren, één voorzitter van een Raad van Toezicht (hangt daar al een Raad onder?), één parkeerplaats en de optie op een brug, een chronologische canon en de thematische tegenstelling tussen van alles en nog wat – maar bovenal met de existentiële vraag of we bij alle twijfel wel door moeten gaan op de door Marijnissen en Plasterk ingeslagen weg. Veel betrokkenen beginnen nu van voren af aan al weer aan Den Haag te denken. Maar kunnen bijvoorbeeld de bestaande Nederlandse musea hun geschiedvoorwerpen niet aan Amsterdam schenken waar ze voorlopig in een reusachtige tent worden verzameld op het Museumplein (de naam zegt het al), zodat we meteen af zijn van de aanblik van al dat lege gras?

Kort na de val van de Muur hebben de Duitsers in hun oude Rijksdag nog een tentoonstelling ingericht die Fragen an die deutsche Geschichte heette: een museum van zichzelf. Landen die veel op hun historische kerfstok hebben – Duitsland, Engeland, Frankrijk, Rusland, ex-Joegoslavië – hebben recht op en behoefte aan nationale musea om dingen te laten zien die elke beschrijving tarten.

De Nederlandse geschiedenis moeten we helemaal opnieuw leren op school, uit een boek met plaatjes, met een goede onderwijzer, en in chronologie – wat iets anders is dan jaartallenlijstjes opzeggen, hoewel dat op zichzelf weer veel nuttiger kan zijn dan ze vaak beweren.

En Plasterk moet een ander legaat verzinnen.