Blijven bewegen

Met de tussenruimte van een stoel zaten de twee vrouwen naast elkaar te wachten tot ze bij hun arts werden binnengeroepen. De wachtkamer was meer een brede, hoge corridor dan een kamer.

De vrouwen spraken aanvankelijk aarzelend met elkaar, maar hun gesprek werd zienderogen directer, zoals wel vaker gebeurt bij mensen die elkaar daarna vermoedelijk nooit meer zullen zien. Er moesten, nu het nog kon, essentiële ervaringen worden gewisseld.

Twee vrouwen, twee generaties, één ziekte.

De oudste liep tegen de zeventig, een nogal opgedofte vrouw met een licht Amsterdams accent, praatlustig en goedmoedig. De andere vrouw was hooguit veertig, kloek gebouwd en bedachtzaam formulerend. De oudste had na haar binnenkomst snel een Libelle doorgebladerd en weer teruggelegd op de tafel.

„Nog naar de Libelleweek geweest?” vroeg de jongste, zonder spot.

„Da’s niks voor mij. Al die jolige vrouwen. Daar moet je voor in de stemming zijn.”

„Ik zag het op het Journaal. Het trok me ook niet. En het is niet naast de deur.”

„Almere.” De oudste sprak het met enige afkeuring uit. Het was nog geen vies woord, maar het was wel aan bederf onderhevig. „Wij konden er in de jaren tachtig heen. Onze buurt ging achteruit, we stonden voor de keus. Toen zijn we toch maar in Amsterdam gebleven. Wat moet je in zo’n opgespoten, nieuwe stad? Kan het er ooit gezellig worden? Amsterdam is niet meer wat het was, maar het blijft tóch je stad.”

„Wij komen uit Alkmaar”, zei de jongste, „ik ken het Amsterdam van vroeger niet, maar het bevalt ons wel. We wonen in een rustige straat in West, dichtbij het centrum.”

Zo sprongen de vrouwen nog even van koetje naar kalfje en van kalfje naar koetje voor ze bij het onvermijdelijke doel van hun komst belanden: de dokter.

Ja, vervelend.

„Ik loop hier al een hele tijd”, zei de oudste. „Het begon langzaam, een jaar of vijftien geleden, ik had het eerst nauwelijks in de gaten. Ik had veel spierpijn, was sneller vermoeid en er kwamen ontstekingen in mijn handen. Naar de arts. Reuma. O, was dát nou reuma. Een tante van me had het vroeger. Die zat haar halve leven in een karretje.”

De jongere vrouw knikte. „Ik merkte het ook geleidelijk. Vroeger nooit iets gemankeerd en dan ben je opeens patiënt. Ik weet het pas een jaartje. Ik probeer me er maar zo goed mogelijk doorheen te slaan. Je moet veel blijven bewegen, zeggen ze.”

De oudste probeerde iets van geruststelling in haar stem te leggen. „De medicijnen zijn tegenwoordig beter, ze kunnen het afremmen. Zelf zit je met het probleem dat je door wilt gaan met van alles – werken, lezen, uitgaan – maar dat je het niet meer zo goed volhoudt. Het kost moeite om je grens te vinden.”

„Ik moet tussendoor al meer rust nemen”, knikte de jongste.

De oudste stond op. Ze mocht naar haar dokter. Al die tijd had ze gezeten, zodat nu pas te zien was wat de ziekte haar had aangedaan. Ze schuifelde moeizaam vooruit en zocht houvast bij een leuning tegen de muur. Het contrast met de vrouw die kort tevoren nog zo vitaal had zitten praten, was schrijnend groot.

De jongere vrouw keek haar stilletjes na, bijna schuw, ze wilde het zien – maar ook weer niet.

    • Frits Abrahams