Als je in de modder zit, heb je geluk

Vorige week waren de hulpverleners in het Pakistaanse vluchtelingen-kamp nog optimistisch.

Nu het vol is noemen ze de omstandigheden erbarmelijk.

Een week geleden hadden de vrijwilligers in het Jalala-ontheemdenkamp nog alle vertrouwen in hun hulpoperatie. Zo’n 1.100 mensen die de gevechten in en rond de Pakistaanse Swat-vallei ontvlucht waren verbleven er in tweehonderd tenten, in strakke rijen opgezet in een weiland. Er was genoeg ruimte voor nieuwkomers, dachten de vrijwilligers. Ze hadden tenten op voorraad. Maar het liep anders: gisteren bood het kamp onderdak aan 8.000 ontheemden en noemden de vrijwilligers de omstandigheden er „erbarmelijk”.

Er is voldoende te eten in het Jalala-kamp, maar daarmee is het meeste wel gezegd. Twaalf dagen na de oprichting blijkt de hygiëne er een groot probleem. Rond de openluchtkeuken, waar ketels met thee op houtvuren staan te koken, is een stinkende modderpoel ontstaan. Net als rond de latrines en rond de watertanks. In de tenten wemelt het van de vliegen. Onder de kinderen zijn diarree en schurft uitgebroken. De overheid heeft het kamp een arts toegewezen, maar die heeft te weinig medicijnen.

Na een mislukte vredesovereenkomst staat de regering van president Zardari onder zware druk van de bevolking en het Westen om definitief af te rekenen met de Talibaan in Swat en de aangrenzende districten Buner en Dir. Maar ze kan de steun van de bevolking gemakkelijk verspelen als er niet goed voor de ontheemden wordt gezorgd of als er veel burgerdoden vallen. „De regering had voorzieningen moeten treffen voordat ze aan dit offensief begon”, zegt Noorbad Shah, van Al-Khidmat, een hulporganisatie die wordt gefinancierd door de fundamentalistische politieke partij Jemaat-e-Islami. „Nu zijn de gewone mensen het slachtoffer.”

Vanaf een door Unicef afgezette speelweide volgen kinderen de legerhelikopters die boven het Jalala-kamp cirkelen. De weide is bedoeld als veilige plek voor kinderen om het oorlogsgeweld te vergeten. „Het leger heeft uit een helikopter een raket op ons huis afgeschoten”, vertelt de twaalfjarige Ikram Ullah uit Swat. „Mijn zus werd geraakt aan haar arm en been. Toen was ik wel erg bang voor de helikopters, maar nu niet meer. Hier zijn alleen de kleine kinderen bang voor de helikopters.”

„Ik ben ook niet bang voor de Talibaan”, gaat hij verder. „We speelden altijd cricket met ze, als vrienden. Dan legden ze hun geweren aan de kant.” Ook Mahib Ullah (15) uit Dir speelde cricket met de Talibaan. „’s Avonds kwamen de jonge strijders naar het dorp.” Hij schat dat ze tussen de 16 en 24 jaar waren. „Ze waren beter dan ik. Na afloop vertrokken ze weer naar de bergen. Maar dat is al een jaar geleden. De laatste tijd kwamen ze niet meer spelen.”

Sinds het leger de aanval inzette op de Talibaan hebben 360.000 ontheemden zich laten registreren, maakte de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR gisteren bekend. „Dat is slechts een deel van het totale aantal dat daarvoor al op de been was”, zegt een woordvoerder per telefoon uit Islamabad. Door gevechten tussen leger en Talibaan waren het afgelopen jaar al ruim een half miljoen inwoners van Swat en de tribale grensregio met Afghanistan verdreven. De meesten verblijven bij familie, zo’n 20 procent is afhankelijk van kampen. „De humanitaire nood is groot”, aldus de woordvoerder.

Toch prijst Jahan Zabi (35) zich gelukkig. Met haar man en zes kinderen nam ze twaalf dagen geleden als een van de eerste families haar intrek in het kamp. „Aan deze kant van de weg is het goed”, zegt ze lachend, terwijl ze een huilende baby op haar arm wiegt. „Aan de overkant, in het nieuwe deel, zijn geen bomen, daar is geen schaduw.”

De kampbewoners bereiden zich voor op een lang verblijf. De jonge kinderen krijgen elke dag twee uur koranonderwijs. Zabi’s tent en het gras er omheen lijken al wat op een huishouden. Er hangt wasgoed aan de tentlijnen, onder een boom grazen twee kalfjes en een geit. Kuikens scharrelen tussen hun poten door. De rest van het vee heeft ze voor haar vertrek uit Buner losgelaten om zichzelf te gaan redden in de bergen.

De omgeploegde akker aan de overkant van de weg is drie dagen geleden bij het kamp getrokken. De tenten staan er bijna tegen elkaar aan gepropt. Maar ook deze mensen kunnen zich gelukkig prijzen dat ze hier terecht konden. Het Jalala-kamp is vol, ontheemden die nu nog aankomen worden weggestuurd.

    • Hanneke Chin-A-Fo