'We zijn niet te klein voor de Spelen'

André Bolhuis (62) moet goodwill kweken voor de Olympische Spelen. „Er zijn mensen die een soort Tweede Wereldoorlog op zich af zien komen.”

Bolhuis: "Er zijn nu al momenten dat ik denk: lopen we niet te hard?" (Foto NRC Handelsblad, Rien Zilvold) utrecht andre bolhuis foto rien zilvold Zilvold, Rien

Hoe prematuur ook, het vooruitzicht dat Nederland over negentien jaar misschien gastheer van de Olympische Spelen is, inspireert niet alleen André Bolhuis, maar vele anderen. Neem burgemeester Theo Weterings van de gemeente Haarlemmermeer. Hij nodigde Bolhuis vorige week uit voor een gesprek en stelde hem de vraag of een nog aan te leggen natuurpark van 1.100 hectare een rol zou kunnen spelen in het Olympisch Plan 2028.

De portefeuillehouder in het bestuur van sportkoepel NOC*NSF merkt steeds vaker dat de wens om honderd jaar na ‘Amsterdam’ de Olympische Spelen opnieuw naar Nederland te halen geen hersenspinsel van een kleine groep megalomane denkers is, maar nu al breed wordt omarmd.

Wat Bolhuis op het gemeentehuis in Hoofddorp heeft geantwoord? Dat het een goed idee is, natuurlijk. Hij adviseerde de inrichting van een paardensportcentrum, dat in 2028 desgewenst als olympische accommodatie gebruikt kan worden.

En zo heeft de oud-hockeyinternational, die sinds een jaar leiding geeft aan het Olympisch Plan 2028, zich al vaker verbaasd over olympische geestdrift in Nederland. Bijvoorbeeld over de vele afvaardigingen van sportraden, gemeenten en provincies onlangs tijdens een informatiereis naar Zuid-Afrika, waar de organisatie van het WK voetbal in 2010 werd bestudeerd. Bolhuis: „Die mensen waren allemaal mee om zich te oriënteren op Olympische Spelen. Je kunt zeggen dat het een leuk reisje was, maar op een of andere manier wordt ons plan op die niveaus belangrijk gevonden, anders wordt er geen toestemming gegeven om mee te gaan.”

Natuurlijk weet Bolhuis dat de Olympische Spelen ook weerstanden oproepen. ‘Mooi onderwerp voor de borreltafel’, sprak Hans Blankert, oud-voorzitter van NOC*NSF, ooit cynisch. Tegen die mensen wil hij zeggen: kijk naar de kansen die Olympische Spelen bieden, en niet alleen op sportief gebied. De Nederlandse samenleving zal er volgens Bolhuis van profiteren, bijvoorbeeld als het wegennet wordt verbeterd of het openbaar vervoer wordt uitgebreid. Maar ook van mooie sportaccommodaties, die weer tot een gezondere levensstijl leiden. „Maar begrijp me goed”, zegt de realist Bolhuis, „als Nederland het niet wil, komen er geen Olympische Spelen. Voor voldoende draagvlak zal 70 tot 80 procent van de bevolking een kandidatuur moeten steunen.”

Aan Bolhuis zal het niet liggen. Hij is aangesteld om het Olympische Plan 2028 mede vorm te geven, te verkopen, maar vooral om goodwill in het land te kweken. Hij en de andere plannenmakers denken met afschuw terug aan midden jaren tachtig, toen de kandidaatsstelling van Amsterdam voor de Spelen van 1992 bruut werd getorpedeerd door actievoerster Saar Boerlage. Daarom is gekozen voor een lange aanloop, met het inrichten van Nederland tot een topsportland als eerste opdracht. Pas als alle voorzieningen op ‘olympisch niveau’ zijn gebracht en de geesten rijp zijn gemaakt, moet besloten worden of het wenselijk is dat een Nederlandse stad een gooi doet naar de Olympische Spelen in 2028. Die keus moet in 2016 gemaakt worden. Een tweetrapsraket, noemt Bolhuis die aanpak.

Bolhuis verwacht niet dat hij er in 2028 bij betrokken zal zijn, mochten de leden van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) Nederland uitverkiezen. Maar dat vooruitzicht gaat niet ten koste van zijn elan. Zonder overdrijven: „Ik weet hoe het evenement in elkaar steekt. Ik heb de Olympische Spelen nog niet georganiseerd. Ik kan ook moeilijk begrijpen dat anderen de omvang en impact niet begrijpen. Enerzijds wordt gedacht dat de Spelen zo ongelooflijk groot zijn, dat Nederland er als klein land nooit meer voor in aanmerking zal komen. Anderzijds zijn er mensen die een soort Tweede Wereldoorlog op zich af zien komen en zeggen: nooit aan beginnen. Of we de Spelen willen is de vraag, maar ik weet zeker dat Nederland er niet te klein voor is en we de organisatie aankunnen.”

Intussen is het Olympisch Plan 2028 uitgewerkt en vandaag tijdens de algemene ledenvergadering van NOC*NSF door Bolhuis gepresenteerd. Een half jaar later dan gepland, maar dat had te maken met het ontslag van Marcel Sturkenboom als directeur Sport van NOC*NSF. Hij was de grote animator van het plan. Voor Bolhuis een gevoelig verlies waarover hij ambivalente gevoelens heeft, want als bestuurslid heeft hij mede over Sturkenbooms vertrek moeten beslissen. Hij wil er alleen dit over zeggen: „Voor mij was dat heel moeilijk, maar er waren moverende redenen om het te doen.”

Nog dit jaar wordt het Olympisch Plan 2028 besproken in de ministerraad. Dan moet blijken of de regering er haar steun aan geeft, met alle (financiële) consequenties van dien. Bolhuis vertrouwt op een positief besluit, „omdat het enthousiasme bij de overheid groot is en wij op alle niveaus veel medewerking krijgen. Door onze ambities expliciet in de troonrede op te nemen, vind ik dat de regering zich in feite aan het Olympisch Plan 2028 heeft gecommitteerd.”

Maar de overheid heeft meer redenen om het Olympisch Plan 2028 te adopteren, weet ook Bolhuis. Veel ministeries zien de Olympische Spelen als een middel om de stroperige besluitvorming van grote projecten te versnellen. Eindelijk een middel om de door regelgeving en belangenbehartiging vastgelopen bestuurlijke cultuur open te breken. Bolhuis: „Sterker, volgens mij is dat de enige reden dat de politiek er achter staat. Om die reden is het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) ook zo enthousiast. Die zijn al ver met planologische verkenningen voor Olympische Spelen en zien eindelijk kansen om grote plannen te realiseren. Je zag dat mechanisme bij de laatste rivieroverstromingen. Toen konden dijkverhogingen waar twintig jaar over gepraat was binnen anderhalf jaar uitgevoerd worden.”

Als Bolhuis’ politieke waarneming juist is, kunnen er later dit jaar stappen gemaakt worden waar overheidsgeld voor nodig is, zoals de inrichting van een program office, waar een tiental vaste krachten het Olympisch Plan moet uitwerken. Verder komt er dan een mediafonds met enkele tientallen miljoenen euro’s om te garanderen dat de NOS extra EK’s en WK’, die de olympische ambitie moeten ondersteunen, kan uitzenden.

Dat is eventueel het begin van een miljardeninvestering, die sceptici als weggegooid geld zien. Bolhuis bestrijdt die opvatting. „Na 1980 zijn de Olympische Spelen als zelfstandig evenement winstgevend geweest. Tenzij je de infrastructuur gaat doorberekenen. Als je verlangt dat de aanleg van een vliegveld, driehonderd kilometer snelweg en honderd kilometer metrolijn binnen veertien dagen wordt afgeschreven, dan kosten Olympische Spelen geld.”

Naast nuancering van de kosten is volgens Bolhuis vooral geduld nodig. „Het tempo waarin de plannen zich moeten voltrekken, dat is het moeilijkst. Mensen die zich nu al als vrijwilliger melden of vrachtwagens met zand zien rijden zijn voorbarig. Ik zie het traject als het lopen van een marathon. Op volle snelheid haal je waarschijnlijk niet de finish, daarvoor is een gemiddeld tempo vereist. Er zijn nu al momenten dat ik denk: lopen we niet te hard?”

Als het ooit tot een kandidatuur komt, kan een Nederlandse stad dan opboksen tegen de grootsheid en glamour van wereldsteden van het niveau New York, Parijs en Londen, die zich steeds vaker in de strijd om Olympische Spelen mengen? „Dat is onze achilleshiel”, zegt Bolhuis. „Dan lopen we het risico te worden vermorzeld door machtspolitiek. Niemand weet hoe de wereld eruitziet in 2021, het jaar waarin de stad voor 2028 wordt gekozen, maar het kan best zo zijn dat de IOC-leden dan denken: nu maar eens een klein land.”