Patriot én Europeaan?

De meeste mensen voelen zich vooral Nederlander.

Het Europees Parlement moet een meer nationaal gezicht krijgen.

Patriot én Europeaan? Ideaal van Timmermans is puur voor de elite Illustratie Bas van der Schot Schot, Bas van der

Frans Timmermans kan de vraag ‘bent u eerst Europeaan of Nederlander’ niet langer aanhoren (nrc.next, 11 mei). Gelukkig is hij niet de enige die met deze vraag wordt lastiggevallen. De Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de Europese Unie, vraagt de inwoners van Europa regelmatig naar hun identiteit. Uit het antwoord blijkt dat het overgrote deel van de Nederlanders zich vooral met het eigen land verbonden voelt.

Volgens de Eurobarometer-peiling ziet 54 procent zich éérst als Nederlander, en pas dan als Europeaan. 33 procent van de Nederlanders voelt zich zelfs uitsluitend Nederlander. Slechts 9 procent beschouwt zichzelf éérst als Europeaan en pas dan als Nederlander, een minuscule minderheid van 3 procent ziet zich uitsluitend als Europeaan.

Deze cijfers stammen uit 2004. De Eurobarometer verdoezelt sindsdien de onwelkome werkelijkheid. De volgorde interesseert de enquêteurs niet meer. In 2006 vroegen ze liever ‘voelt u zich ook weleens Europeaan’? Hierdoor kon de Commissie melden dat in totaal 59 procent van de mensen zich weleens Europeaan voelt, tegenover 41 procent nooit. Dat klinkt nauwelijks minder zorgwekkend. Sindsdien stelt de Eurobarometer de vraag naar identiteit helemaal niet meer in deze vorm.

Europa houdt zichzelf wel vaker voor de gek. Het is een misvatting om te denken dat Europese identiteit automatisch leidt tot steun voor de Europese Unie of de Europese instellingen. Het omgekeerde is eerder het geval. Robert Johns, een onderzoeker aan de universiteit van Strathclyde in het Verenigd Koninkrijk, heeft jarenlang de Eurobarometer tegen het licht gehouden. Als een vraag over identiteit onmiddellijk volgt op een vraag over de EU, voelen mensen zich juist mínder Europees.

Buiten de Europese instellingen om bestaan er nauwelijks Europeanen. Politieke discussie wordt nationaal gevoerd. ‘Europa’ bestaat al ruim 50 jaar, maar al die tijd is er geen internationaal Europees debat op gang gekomen. Pogingen zo’n, in gruwelijk jargon uitgedrukt ‘Europees discours’ op te zetten mislukken steeds. The European moest een Europese krant worden maar kwam nooit van de grond. Er bestaat wel een ‘Brusselse’ krant dat een Europees platform is voor discussie, maar dat is een nationale Britse krant (de Financial Times), alleen gelezen door een kleine bestuurlijke en politieke elite.

Meer op de massa gerichte projecten ontsnappen ook niet aan de zuigkracht van de natiestaat. Er is geen Europees GeenStijl. Ooit was MTV een grensoverschrijdend fenomeen, met internationale hitlijsten en presentatoren uit heel Europa. Nu is het overal keurig toegesneden op de nationale doelgroep. Het Hongaarse Sziget festival is het grootste popfestival van het continent, met jaarlijks zo’n 80.000 bezoekers uit heel Europa een bij uitstek internationaal feest. Zelfs op Sziget zoeken de vrijgevochten rugzaktoeristen hun eigen stam op. De organisatie heeft op verzoek van de bezoekers de tentenkampen nationaal ingericht.

Timmermans definieert een keuze voor Europa als ‘patriottische keuze’, omdat de EU in het Nederlands belang werkt. Zo’n gelijkstelling van internationale met nationale loyaliteit heeft in de praktijk zelden gewerkt. In het communistisch Oost-Europa bestond een socialistisch patriottisme waarin vaderlandsliefde gelijk gesteld werd aan onderwerping aan de Sovjet-Unie. De kibbelende nationaliteiten in het Habsburgse Rijk werden formeel ondergeschikt aan een overkoepelende loyaliteit aan de keizer. In beide gevallen geloofde alleen een kleine elite met passie in dit multinationale patriottisme, terwijl de meeste mensen zich verbonden voelden met dorp, regio of natie.

Hoewel de EU een democratisch en vrijwillig project is, geldt deze kloof tussen de elite en de meerderheid ook voor het Europese patriottisme van Timmermans.

Om kiezers aan zich te binden, zal Europa genationaliseerd moeten worden. Op langere termijn zijn ingrijpende hervormingen nodig, bijvoorbeeld in het Europees Parlement. Daar vertegenwoordigen parlementariërs geen landen, maar vormen zij multinationale fracties op basis van gedeelde idealen en belangen. Dat is logisch, want het is een absurd idee dat vijfentwintig Nederlandse europarlementariërs (laat staan een eurosceptische vleugel van vier à acht PVV’ ers en SP’ ers) tegenover 711 andere parlementariërs ‘het Nederlandse belang’ zouden kunnen verdedigen.

Tegelijkertijd bevestigt dit gegeven het doembeeld van klein Nederland dat verzuipt in een gigantisch Europa. Daarom moet het Europees parlement een nationaal gezicht krijgen, bijvoorbeeld door het naar Amerikaans model op te delen in een congres en senaat. Elk land zou twee of drie senatoren kunnen kiezen. Die senaat moet dan regelgeving erop beoordelen of die echt op Europees niveau moet worden uitgevoerd, of overgelaten moet worden aan de lidstaten. Vestig het in Straatsburg en als bonus is Brussel meteen van het parlementaire verhuiscircus af.

Nederlandse politieke partijen kunnen op kortere termijn ook zelf wat doen om Europa een nationaal gezicht te geven. Ze gebruiken het Europees Parlement nu als springplank voor jong talent of als dumpplek voor uitgerangeerde Haagse politici. Er zijn weinig Europese lijsttrekkers die uit de schaduw van nationale politici kunnen kruipen. Nederlandse partijen zouden een voorbeeld aan de Belgen moeten nemen, en hun nationale politieke zwaargewichten een prominente plaats op de Europese lijst moeten geven, om Europa echt een gezicht te geven.

Martin Mevius is als historicus verbonden aan de Universiteit van Amsterdam

    • Martin Mevius