Opa weet 't nog goed...

Vijf Europarlementariërs vertellen hoe ‘hun’ parlement meer macht heeft gekregen.

Het is een plek geworden waar jongeren carrière maken.

Nu zijn ze nog met z’n vijven. Dertig jaar geschiedenis delen ze. Vier Duitsers en één Fransman die in het Europees Parlement zitten sinds 1979, toen dat voor het eerst direct werd gekozen. Het parlement waarvoor in juni kan worden gestemd, zeggen ze terugkijkend, is heel anders dan dat van dertig jaar geleden. Veel machtiger en professioneler. Maar ook minder intiem.

Slechts één van de vijf heeft zich opnieuw verkiesbaar gesteld: Hans-Gert Pöttering. Voor de anderen is het hun laatste week.

In 1979 was Pöttering met 33 jaar de jongste Europarlementariër. Nu is hij belangrijk in Brussel. Als voorzitter van het Europees Parlement praat hij namens het parlement met staatshoofden en regeringsleiders. Hoe het voelt dat hij straks ‘de laatste’ is? „Het is nog niet zo ver. Maar het zou een groot privilege zijn als de dag komt dat ik die persoon ben.”

Het Europees Parlement, dat vorige week voor het laatst in de huidige samenstelling bijeenkwam, is een plek geworden waar je carrière kunt maken, zeggen de vijf parlementariërs van het eerste uur. Destijds zaten ze als jongeren tussen oudere politici die aan het einde waren van een lange loopbaan; voormalig bondskanselier Willy Brandt bijvoorbeeld.

Tegenwoordig heeft het Europees Parlement twee moderne vergadergebouwen – een in Brussel en een in Straatsburg. Dertig jaar geleden had het Europees Parlement helemaal geen gebouw.

Karl von Wogau, ook een Duitse christen-democraat, herinnert zich de eerste vergadering in Straatsburg nog goed. De parlementariërs hadden daar onderdak gevonden in het gebouw van de Raad van Europa, die al in de stad was gevestigd. Veel aandacht trok dat niet. „Alle restaurants waren al gesloten toen we klaar waren”, zegt Von Wogau. „Samen met een collega heb ik daarom op Europese wijze wat gegeten in de buitenlucht: hotdogs en cola.”

In Brussel hadden Europarlementariërs wel tijdelijke kantoren, maar die moesten ze delen met vier of zes collega’s, vertelt Klaus Hänsch. „Als je wilde bellen, dan moest je op je beurt wachten bij een telefooncabine”, zegt Ingo Friedrich, ook een Duitse christen-democraat. „Vergaderen deden we in allerlei gehuurde gebouwen. En ’s avonds gingen we verder in restaurants.”

Nu heeft het parlement macht. Sinds het ontstaan van de Europese binnenmarkt moet het instemmen met alle wetgeving op dat terrein. Dat is belangrijk voor bedrijven, die dan ook duizenden lobbyisten hebben in Brussel. „Tegenwoordig heb je twee afspraken voor de lunch en ’s avonds drie”, zegt Ingo Friedrich. „In het begin werden we nooit uitgenodigd. We waren vaak samen.”

Het samenzijn begon ietwat onwennig. „Wij Duitsers hadden het gevoel dat de Italianen honderd keer hetzelfde zeiden”, zegt Friedrich. „En zij vonden ons onbeleefd omdat wij zo direct waren.” Verschillen zijn er nog steeds, maar zijn wel kleiner geworden. Duitsers, zegt Friedrich, zijn bijvoorbeeld makkelijker gaan kussen. En ze hebben minder moeite elkaar bij de voornaam te noemen. In het begin verbaasde Friedrich zich over het gemak waarmee collega’s uit andere landen dat deden. Tegen Otto von Habsburg, zoon van de laatste Oostenrijkse keizer die ook in het parlement zat, zei Friedrich „Zijne Keizerlijke Hoogheid”. Ook al kende hij hem al vanaf zijn tiende. „En dan kwam er een nieuwe Britse collega die zei: Hey Otto, kom eens hier!”

Toch klikte het goed tussen de Duitsers en de Britten. Natuurlijk, Frankrijk en Duitsland vormden lange tijd de motor van de Europese integratie. Dat was ook in het parlement zo, zegt Klaus Hänsch. Maar ’s avonds waren het de Duitsers en de Britten die elkaar opzochten. „Met de Fransen kon je discussiëren, met de Britten kon je drinken.”

De macht die het Europees Parlement nu heeft, heeft het zich deels zelf toegeëigend. Hänsch, parlementsvoorzitter van 1994 tot 1997, organiseerde als eerste hoorzittingen voor de nieuwe leden van de Europese Commissie. Dat is nu traditie. De laatste keer, in 2004, wees het parlement zelfs een beoogde commissaris af: de wegens uitspraken over homo’s omstreden Italiaan Rocco Buttiglione. „Dat we hoorzittingen mochten houden stond in geen enkel verdrag”, zegt Hänsch. „Ik besloot het gewoon. Sommige landen waren niet blij.”

Vroeger was het natuurlijk makkelijker, zeggen de vijf parlementariërs. Het ging over vrede en veiligheid en dat leek meer dan genoeg. Maar kritiek op Europa is niet iets van de laatste jaren. „Het begon in de jaren tachtig met de verhalen over boterbergen en melkplassen”, zegt Klaus Hänsch. „Daarna ontstond in Duitsland het beeld dat we overal voor moesten betalen in Europa.” En nu is het verwijt dat Europa zich met te veel dingen bemoeit. Terecht? „Ach”, zegt Hänsch. „Dezelfde mensen die op zondag klagen dat Europa te veel regels bedenkt, komen vaak op maandag of dinsdag langs met de vraag of je iets wilt regelen.”

Wat waren bijzondere momenten in die dertig jaar? Die herinneringen komen soms uit een ver verleden. „Toen Ronald Reagan het parlement toesprak in 1985”, zegt Ingo Friedrich. „Dat was voor het eerst dat ik het gevoel had: we staan op gelijke voet met de Verenigde Staten.”

Pöttering zal nooit de dag vergeten dat de parlementariërs uit het voormalige Oostblok kwamen. „Een Hongaar gaf me een stuk prikkeldraad met een Hongaars vlaggetje en zei: het IJzeren Gordijn is verdwenen. In 1979 had ik niet gedacht dat ik dat in mijn leven zou meemaken.” Ook had hij niet gedacht dat hij dertig jaar zou blijven. „Heeft u een opa, stuur hem naar Europa”, werd destijds in Duitsland gezegd. „Ik heb geprofiteerd van dat zinnetje. Mijn partij wilde óók een paar jongeren erbij, om dat beeld te corrigeren. Twee zonen heb ik nu. Maar ik ben nog altijd geen opa.”

    • Jeroen van der Kris