Industrieliefde heeft een autarkisch trekje

Wie wat maakt, die heeft wat. En dus wordt vooral de industrie gesteund tijdens recessies. Kan een economie draaien op vrijwel uitsluitend diensten?

Kun je een economie bouwen op drijfzand? Nakheel, een van de grote projectontwikkelaars van Dubai, blijkt 5 miljard dollar (3,7 miljard euro) van de staat te hebben geleend om zijn rekeningen te betalen. De bouwer van onder meer het palmvormige eiland voor de kust lijdt onder de implosie van de vastgoedzeepbel die Dubai teistert.

Het was niet moeilijk om dat te zien aankomen, en het blijft verbijsterend dat zo veel ondernemers en beleggers achter het wonder in de Golf hebben aangehold. Dubai bloeide omdat het bloeide. Zoals Baron von Münchhausen zichzelf aan zijn haren (of in een andere versie, aan de lussen van zijn laarzen) uit het moeras trok.

Dubais economische strategie is niet onbegrijpelijk. Het landje, deel van de Verenigde Arabische Emiraten, moet het van oudsher niet hebben van olie, die in de zusterlanden uitbundiger aanwezig is, maar van zijn rol als handelscentrum. Mocht de olie in de regio later opraken, dan is het verstandig om nu al te mikken op een andere economische structuur. Maar de manier waarop de opbouw halsoverkop werd uitgevoerd kon bijna niet anders dan fout gaan.

Of dit een tijdelijke dip blijkt, of het failliet van een ontwikkelingsstrategie zal later blijken. Maar de zaak-Dubai stipt wel een vraag aan die voor een groot deel van de Westerse wereld geldt: kun je een bloeiende economie onderhouden zonder dat je zelf iets maakt?

Dat is voor de buitenstaander vaak moeilijk voor te stellen. De industrie maakt van alles. Het is tastbaar en zichtbaar hoe grondstoffen en halffabrikaten worden bewerkt tot eindproducten, en de toegevoegde waarde zorgt daarbij voor welvaart en kapitaal om verder te investeren. Maar wat als een economie, zoals die van de meeste Westerse landen, in toenemende mate op diensten draait? Dat twee mensen er rijker van worden als zij zich beide specialiseren in een product dat zij aan elkaar verkopen is dat beter voor te stellen dan dat zij elkaar een dienst verlenen en er beiden wel bij varen.

Die reflex van ongeloof in de diensteneconomie is er ook bij beleidsmakers. De industrie heeft het zichtbaar moeilijk tijdens recessies, te meer omdat er toch al een verhuizing aan de gang is richting de opkomende landen. Een fabriek die ophoudt met werken is een tot de verbeelding sprekender beeld dan een kantoor dat leegstaat. Steevast wordt sinds begin jaren zeventig bij elke recessie een lans gebroken voor de industrie. Het innovatieplatform is daar het jongste voorbeeld van.

Maar heb je de industrie ook echt nodig? In de Verenigde Staten zet de regering-Obama alles op alles om de auto-industrie overeind te houden. Honderdduizenden banen staan op de tocht omdat met het omvallen van bijvoorbeeld General Motors niet alleen de fabrieken, maar ook toeleveranciers en het dealers teloorgaan. Toch is de auto-industrie in de VS verre van dood. De erfenis van hoge kosten en verkeerde modellen heeft de Amerikaanse automakers meer kwaad gedaan dan de veronderstelling dat het überhaupt te duur zou zijn geworden om auto’s in de VS te maken. Het Japanse Toyota heeft ook fabrieken in Amerika en die draaien relatief goed. De automaker is hard op weg de grootste binnenlandse producent te worden, of is dat misschien inmiddels al. De Europese auto-industrie doet het naar omstandigheden ook best goed.

Of een groter accent op diensten gevaarlijk is, is intussen ongewis. Van het Verenigd Koninkrijk wordt dezer dagen gezegd dat het extra wordt geraakt door de wereldwijde recessie omdat het zijn industrie heeft verwaarloosd ten gunste van (financiële) dienstverlening. Maar Duitsland, een van de weinige grote Westerse landen waar de industrie een groeiend deel van de economie bepaalt, wordt eveneens zwaar getroffen. Is innovatie, het omhoog schuiven in de voedselketen van de industrie, het inderdaad enige antwoord? Of is het mogelijk om een economie te onderhouden die vrijwel uitsluitend draait op diensten? De nadruk van beleidsmakers op de industrie suggereert het streven naar meer autarkie in een gevaarlijke, veranderende wereld. Wie wat maakt, die heeft wat. Wat het ook kost.

NRC Handelsblad werkt voor deze rubriek samen met de website MeJudice, www.mejudice.nl

Lezers kunnen reageren op de bijdragen van Maarten Schinkel op nrc.nl/schinkel