Economie herstelt nu snel

Economen kijken vooral naar monetaire zaken om de crisis te analyseren. Laat hen eens kijken naar het versterkende effect van de marktvraag op voorraden, aldus Jan Fransoo.

In september 2008 ging er met de val van Lehman Brothers een schok door de financiële markten. Er is veel aandacht geschonken aan de gevolgen voor het financiële systeem en de financiële instellingen. Tegelijkertijd met deze schok verloren miljoenen bedrijven in de reële economie wereldwijd vertrouwen in de markt en hadden behoefte aan contant geld. Hun beslissing was om de voorraden contant maken. Dat houdt in dat er bewust wordt besloten om de voorraden te verlagen. Voorraden verlagen gebeurt door minder materiaal in te kopen dan er aan orders de deur uitgaat. De effecten hiervan zijn ongekend groot maar worden systematisch onderschat.

Stel dat een bedrijf tien weken aan vraag op voorraad heeft en besluit om die met 10 procent te verlagen. In dat geval krijgt de directe toeleverancier van dat bedrijf te maken met vraaguitval ter grootte van een week vraag: als deze voorraadreductie gedurende één kwartaal wordt geïmplementeerd, is dat dus een vraagdaling van zo’n 8 procent in dat kwartaal. (Toeval of geen toeval, maar dit was de vraagdaling die Philips rapporteerde over het laatste kwartaal van 2008.) Deze vraaguitval is niet gebaseerd op echte vraaguitval in de eindmarkt, maar wordt alleen veroorzaakt doordat alle klanten tegelijkertijd besluiten om hun voorraden te verlagen.

De logistieke ketens van tegenwoordig bestaan echter niet slechts uit twee bedrijven die aan elkaar toeleveren. Logistieke ketens zijn heel lang geworden. Door specialisatie hebben bedrijven delen van hun productieactiviteiten uitbesteed aan toeleveranciers. Dit zijn vaak activiteiten die zij vroeger zelf uitvoerden. Deze uitbestede activiteiten vinden ook steeds vaker ver weg plaats, bijvoorbeeld in Azië. Om een langere toelevertijd te kunnen afdekken, houden bedrijven meer voorraad aan. Een verlaging van 10 procent van die voorraad in de pijplijn heeft in dat geval een nog groter effect. De voorraadverlagingen tellen op. Bedrijven die zich stroomopwaarts in de keten bevinden, zoals in de chemie of de staalindustrie, bevinden zich vijf tot soms wel tien niveaus vanaf de uiteindelijke eindklant. Denk bijvoorbeeld aan de keten van verf die gebruikt wordt op kozijnen in de nieuwbouw van huizen. Een producent van basischemicaliën levert aan de producent van harsen; de harsproducent levert aan de verfproducent; de verfproducent levert aan de producent van kozijnen, die levert aan het bouwbedrijf. Vaak zitten er op diverse niveaus nog groothandels tussen in deze keten. Indien iedereen in deze keten besluit om slechts 10 procent van zijn voorraad af te halen, dan ziet deze chemieproducent zijn vraag gedurende enige tijd met 50-60 procent instorten. Deze mate van ‘opslingering’ doet zich nu voor bij bedrijven in deze sector: zowel qua voorraadverlaging als qua vraaguitval.

Het slechte nieuws is dus dat door de logistieke opslingering de vraaguitval stroomopwaarts in de keten enorm is. Het goede nieuws is dat met uitzondering van een beperkt aantal sectoren (zoals de automobielindustrie en de bouw) er slechts sprake is van beperkte vraaguitval in de eindmarkt. Voorts is het goed nieuws dat logistieke modellen laten zien dat deze voorraadeffecten van betrekkelijk korte duur zijn. Immers, indien er geen echte vraaguitval is, kan het niet anders dan dat de vraag over de gehele keten vrij snel weer aantrekt.

Het CBS heeft helaas geen gegevens over het voorraadverloop in de industrie, uitgesplitst naar het niveau van de keten. Ook de modellen van het CPB kunnen deze effecten niet goed inschatten. We kunnen dus niets anders dan op basis van microdata en dito analyses inzichten verwerven.

Ons onderzoek aan de Technische Universiteit Eindhoven laat zien dat in veel sectoren dit herstel waarschijnlijk binnenkort plaatsvindt, in de tweede helft van 2009, en dat dit wel eens met grote snelheid kan gaan. Bij korte ketens treedt dit herstel nu al op, bij lange ketens kan het wat langer duren.

Er volgt een fors vraagherstel, dat kan leiden tot een herstel in de dienstverlenende sector, zoals uitzendbranche en transport. Het herstel kan zelfs leiden tot tijdelijke krapte in sommige markten en daarmee tot prijsfluctuaties. Er is dan ook een toename in de voorraad bij deze bedrijven nodig en daarvoor zal geld nodig zijn. Immers, de grote toename aan orders moet geproduceerd worden en dit vergt een voorfinanciering door alle bedrijven van de producten die zij aanschaffen en de extra productiekosten (zoals uitzendkrachten) die zij hierbij maken.

CEO’s die voor de vraag staan of zij nu fabrieken moeten sluiten of personeel moeten ontslaan, moeten een gedetailleerd inzicht opbouwen van de mate van voorraadreductie bij hun klanten, de klanten van hun klanten, tot aan de consument. Op basis van de reductie van de voorraad in de keten en de lengte van de keten kan dan geschat worden hoe snel het herstel zal volgen voor hun bedrijf. Hiermee kunnen onnodige sluitingen en ontslagen voorkomen worden. Inzicht in de eindmarktvraag is hierbij essentieel. Als de eindmarktvraag in een keten voor langere tijd afneemt, treedt het herstel in mindere mate op, en wordt dit bovendien gevolgd door een langere dip in de vraag.

Minstens zo belangrijk is dat kredietverleners dit mechanisme begrijpen. Immers, bedrijven zullen in het najaar van 2009 met verzoeken komen tot verruiming van hun kredietruimte, terwijl hun resultaten voor het eerste half jaar van 2009 hier zeker geen aanleiding voor laten zien. Als de banken dit mechanisme niet begrijpen en de kredieten niet verruimen, dan wordt het economische herstel in de reële economie fors geremd.

Jan Fransoo is hoogleraar technische bedrijfskunde en logistiek aan de Technische Universiteit Eindhoven.

    • Jan Fransoo