De bedilzucht komt juist niet uit Brussel

Gedetailleerde Europese regelgeving, gedicteerd door Brussel, leidt tot pietluttige controles en verhindert burgers in de lidstaten van de Europese Unie hun eigen nationale cultuur naar believen te continueren. Die opvatting valt in de aanloop naar de verkiezingen voor het Europees Parlement weer regelmatig te beluisteren.

De werkelijkheid zit iets anders in elkaar, zo blijkt uit onderzoek van het nieuwe programma De slag om Brussel (VPRO), gemaakt door Roland Duong en Teun van de Keuken van het onvolprezen Keuringsdienst van Waarde. In de eerste aflevering namen ze de bemoeienis van de overheid met de vervaardiging van rauwmelkse kaas onder de loep. Daar bestaan inderdaad Europese normen voor, maar de toepassing daarvan varieert nogal per land. In Sardinië bijvoorbeeld worden kleine kaasmakerijen nooit gecontroleerd en zijn er weinig praktische belemmeringen bij het maken en verkopen van de zogeheten casu marzu, een door maden bevolkte overrijpe schapenkaas. Maar in Nederland wordt elke van niet-gepasteuriseerde melk gemaakte kaas streng nagemeten op de aanwezigheid van bacteriën, die wel eens schadelijk zouden kunnen zijn voor zwangere vrouwen of ouderen. Een trotse Sardijn stelt in het programma dat vrouwen niet van casu marzu houden, dat het bij uitstek een kaas voor mannen is.

De moraal van het verhaal is dat Nederlanders van regels houden en daar Brussel graag de schuld van geven. Dezelfde regels worden elders nauwelijks toegepast, zoals een roker kan constateren wanneer hij een kroegentocht maakt langs Aken, Luik en Maastricht.

Twan Huys vroeg gisteren in Nova aan Librisprijswinnaar Dimitri Verhulst of hij in Vlaanderen veel last had gehad van katholieke boekhandelaren die weigerden zijn Godverdomse dagen op een godverdomse bol te verkopen. Het antwoord luidde dat dit probleem zich alleen maar had voorgedaan in de Nederlandse Biblebelt.

Bedilzucht en conservatisme zijn bijna nergens in Europa zo effectief verweven met de overheid als bij ons. Het zou wel eens te maken kunnen hebben met de onzalige combinatie van moralisme en een Angelsaksisch geloof in de maakbare samenleving.

Dat sprak ook uit het interview van Rob van Hattum in Tegenlicht (VPRO) met de Britse bio-ethicus John Harris, die het ingrijpen in de onvolmaakte natuurlijke evolutie als een morele plicht ziet. Als we kinderen inenten en gezonde voeding geven, dan is het logisch om ook embryo’s genetisch te manipuleren, zodat de kans op ziektes minimaal wordt. Harris noemt zichzelf een ‘bio-liberaal’ en zijn tegenstanders ‘bio-conservatieven’. Liberaal? Ik zou hem eerder een ‘bio-socialist’ noemen.

    • Hans Beerekamp