Besmette getuigenis

Is het moreel te verantwoorden voor het Openbaar Ministerie (OM) om de getuigenis van een huurmoordenaar te kopen? Is zoiets ethisch, rechtsstatelijk en politiek te rechtvaardigen? Iedere keer dat Peter la S., de gedetineerde kroongetuige in het Amsterdamse liquidatieproces, zegt terug te willen komen op de ‘deal’ die hij met justitie sloot, winnen deze vragen aan actualiteit.

Met het toelaten van de kroongetuige is in 1994 door de Hoge Raad voorzichtig begonnen. De commissie-Van Traa volgde. En ten slotte heeft de wetgever in 2006 een wettelijke basis verschaft. Bij iedere stap werd steeds onderstreept dat het een ‘uiterste redmiddel’ is en werd grote nadruk gelegd op waarborgen en controle. Het OM selecteert intern alle aanvragen. Ook de rechter heeft een taak. In de zaak met La S. toetste de rechter-commissaris de afspraak en beoordeelde deze als voldoende. De zaak is ernstig genoeg, de afspraak staat in verhouding tot de verdenking en het resultaat kan niet op een andere manier worden geboekt. Hoewel het een dubieus middel blijft, stelt dat enigszins gerust.

Maar de protesten van de kroongetuige doen vermoeden dat de onderhandelingen niet zijn afgerond. Daarmee doet La S. afbreuk aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen, die in beginsel toch al niet groot is. Zo wordt de aanklacht van het OM steeds zwakker. En zo tegenstribbelend demonstreert de kroongetuige zijn belangrijkste gebrek. Hij is uit op materiële compensatie voor zijn verklaring.

Dat tast het gezag van het OM zelf aan. Op een strafrechter die ook een persoonlijke overtuiging moet hebben, kan dat niet anders dan een slechte indruk maken.

Harm Brouwer, voorzitter van het college van procureurs-generaal, liet destijds weten dat er weken op het hoogste niveau is getobd over de vraag of deze moordenaar ‘gekocht’ kon worden om zo andere moordenaars achter de tralies te krijgen.

Gezien de grote druk op politie en justitie om aan de golf liquidaties in de hoofdstad een eind te maken, valt daarvoor begrip op te brengen. De verklaring van Peter la S. maakte strafvervolging in veertien zaken tegen elf verdachten mogelijk. Ook werden er waarschijnlijk liquidaties voorkomen.

Tot het moment van zijn verklaring was La S. met geen enkele zaak in verband gebracht. Voor hem is de term spilfiguur een understatement. Tegelijkertijd bekende hij zelf één moord te hebben gepleegd en wordt hij in verband gebracht met twee pogingen tot moord. Wie omgaat met pek wordt erdoor besmeurd, zoals nu blijkt. In het Nederlands Juristenblad schreef strafrechthoogleraar Theo de Roos dat hij deze deal niet vond kunnen. De praktische en morele bezwaren achtte hij zo groot dat deze kwestie opnieuw moest worden afgewogen door de wetgever die zich zo bekommert over ‘normen en waarden’. „Het gaat niet aan het antwoord uitsluitend van de rechter te verwachten”, aldus De Roos.

De zaak met Peter la S. is dus geen uitvoeringskwestie meer, maar een proefproces voor een dubieuze regeling. Met ieder nieuw incident wringt deze kwestie meer.