Arm kind zit niet op sportclub

Arme kinderen zitten minder vaak op een sport- of muziekles dan rijkere kinderen. Dat is ongewenst. „Hun ontwikkeling hangt steeds meer af van activiteiten buiten school.”

Van de 2,5 miljoen kinderen tussen 5 en 17 jaar wonen er bijna 350.000 in een arm gezin. Een half miljoen kinderen is niet maatschappelijk actief. Het percentage kinderen uit arme gezinnen dat niet op sport, muziekles of scouting zit is twee keer zo hoog als het percentage kinderen uit niet-arme gezinnen.

Dat blijkt uit het vandaag verschenen rapport Kunnen alle kinderen meedoen? van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Opdrachtgever van het onderzoek is het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het rapport beschrijft de verschillen in maatschappelijke participatie tussen arme en niet-arme kinderen. In een vervolgonderzoek wordt ingegaan op de oorzaken en verschillen. Voor het onderzoek zijn 2.200 kinderen tussen 5 en 18 jaar geïnterviewd en een van hun ouders.

Bij arme kinderen die niet maatschappelijk actief zijn, spelen financiële redenen drie keer zo vaak een rol als bij kinderen uit niet-arme gezinnen. Arme kinderen komen uit gezinnen die moeten rondkomen van maximaal 120 procent van het sociaal minimum (dat is voor een echtpaar met een kind ongeveer 20.000 euro per jaar). Volgens deze definitie telt Nederland 343.000 arme kinderen tussen 5 en 18 jaar. Bij deze groep gaat het relatief vaak om niet-westerse allochtonen (130.000), eenoudergezinnen (180.000) en kinderen die wonen in een gezin met een bijstandsuitkering (132.000).

Volgens onderzoeker Gerda Jehoel-Gijsbers is het belangrijk dat kinderen zich buiten school om ontwikkelen. „Allereerst omdat sporten of muziek maken leuk en ontspannend is. Maar bijvoorbeeld sporten is belangrijk voor de persoonlijke ontwikkeling van een kind omdat het sociale vaardigheden leert en doorzettingsvermogen. Volgens wetenschappers wordt de ontwikkeling van een kind steeds meer bepaald door activiteiten in hun vrijetijd”, zegt Gerda Jehoel-Gijsbers.

Kinderen die niet meedoen aan sport of culturele activiteiten doen dat in bijna de helft van de gevallen vanwege de te hoge kosten. Voor kinderen uit bijstandsgezinnen is dat nog veel vaker de reden (in 65 procent van het aantal gevallen). In niet-arme gezinnen zijn financiële redenen voor 52.000 kinderen een reden om niet mee te doen aan maatschappelijke activiteiten, in arme gezinnen gaat het om 66.000 kinderen.

Sport is de populairste vrijetijdsbesteding voor kinderen. Ongeveer driekwart van de kinderen zit op een sport en de kinderen die niet sporten geven bijna allemaal aan dit graag te willen. Culturele activiteiten zijn veel minder populair.

Bij sport spelen financiële redenen een grotere rol dan bij culturele activiteiten als muziekles of de scouting, de meeste kinderen gaan daar niet heen omdat ze geen zin hebben of omdat het niet in de buurt is. Sport is ook duurder dan andere activiteiten. De contributie voor een sportclub is gemiddeld 326 euro per jaar, muziekles begint al bij 165 euro per jaar. 59 procent van de bijstandskinderen sport niet omdat daar geen geld voor is, in niet-arme gezinnen is dat percentage 12 procent.

Arme kinderen nemen ongeveer in gelijke mate deel aan speciale activiteiten op de naschoolse opvang, ook als het gaat om schoolreisjes en werkweken. Sport is voor alle inkomensgroepen verreweg de belangrijkste activiteit. Niet-westerse allochtone kinderen gaan relatief vaak naar activiteiten die worden georganiseerd door de moskee.

Volgens artikel 31 van het Verdrag inzake de rechten van het kind heeft een kind recht op vrije tijd, spel, kunst en cultuur. Voor 2008 en 2009 heeft het kabinet twee maal 40 miljoen euro ter beschikking gesteld aan gemeenten om het aantal kinderen dat niet meedoet aan sport, cultuur of andere vrijetijdsactiviteiten te halveren.

Bij de definitie van maatschappelijke deelname is uitgegaan van activiteiten waarbij de kosten niet te hoog liggen. Onderzoeker Jehoel-Gijsbers: „We gaan uit van gangbare sporten als voetbal. We zeggen dus niet dat alle kinderen recht hebben op een skivakantie.” Beleidsadviezen geeft de onderzoeker op basis van dit rapport niet. „Dit is een peiling voor het ministerie. Om na te gaan of het doel van het ministerie gehaald wordt, moesten we eerst peilen voor hoeveel kinderen de kosten een belemmering vormen voor deelname aan vrijetijdsbesteding.”