We klagen niet en dat houdt ons jong

Wat kunnen jongeren leren van oudere mensen?

Jop (92) en Joop (90) Mansvelt lezen de krant en een vakblad om de nieuwe ontwikkelingen te volgen.

We klagen niet en dat houdt ons jong Ouderen kunnen wellicht beter relativeren dan jongeren omdat zij weten dat vroeger ook niet alles goed was Jop (92) en Joop (90) Mansvelt lezen de krant en een vakblad om de nieuwe ontwikkelingen te volgen. Foto Bob van der Vlist Vlist, Bob van der

Je hebt mensen die dertig, veertig of zelfs vijftig jaar getrouwd zijn. En die na al die tijd elkaar nog steeds leuk vinden. Ze kunnen nog altijd lachen om de grapjes van de ander. Zo nu en dan maken ze elkaar een complimentje. Of ze drijven even goedmoedig de spot met de ander. De hele tijd moedigen ze elkaar aan dingen te blijven doen. En die dingen doen ze nog graag samen, net als vroeger.

Jop (hij, 92) en Joop (zij, 90) Mansvelt lijken zo’n stel. Wanneer Jop Mansvelt vertelt hoe hij als jongen droomde van een loopbaan als scheikundige en in zijn kamer alvast „een hoekje had ingericht voor proeven”, onderbreekt Joop Mansvelt hem lachend: „Ja, toen hoorden we de hele tijd ontploffingen.”

Dan vertelt ze over haar droom: lerares tekenen, schilderen en handenarbeid worden. Net als zijn droom kwam ook de hare uit. En dat kwam weer, zegt ze, doordat Jop Mansvelt „weleens proefstukken mee naar huis nam” van het in oorlogstijd schaarse brood, dat werd onderzocht in het laboratorium waar hij toen werkte. „Die brokken brood nam ik dan mee voor de leraren die mij klaarstoomden voor het halen van mijn onderwijsaktes. Er waren in die tijd geen cursussen, ze gaven mij les en als dank daarvoor had ik brood bij me.”

Maar Jop en Joop Mansvelt zíjn niet getrouwd. Ze zijn broer en zus. Jop en Joop Mansvelt waren de enige twee kinderen in „een arm gezin, dat moet je er wel bij zeggen” (Joop Mansvelt), waarvan de vader vroeg overleed. Ze hebben altijd samengewoond. Eerst met hun moeder er nog bij, daarna met z’n tweeën. Negentig jaar in totaal nu, waarvan de laatste veertig jaar in een appartement dichtbij de zee. Ze zijn nooit uit elkaar gegaan, zou je ook kunnen zeggen.

In dat appartement zitten we nu. Het is er licht en ruim. Aan de muren hangen aquarellen (die maakt zij) en foto’s (die heeft hij gemaakt). Boven een bureautje met een laptop (van hem) hangt een kopie van een handgeschreven brief die zij naar aanleiding van een oproep schreef aan de redactie van deze krant.

In die brief stond: ‘Tot voor kort maakten we samen lange wandelingen. We gingen veel op reis – bezochten musea, de schouwburg en muziekuitvoeringen. Gingen regelmatig uit eten. Nu is dit alles wat minder, maar wel kunnen we nog zelf bepalen wat en wanneer we iets willen doen. Onze hobby’s: aquarelleren, vergrotingen maken van foto’s van gemaakte reizen, veel boeken lezen, de krant doorspitten, luisteren naar muziek: het is allemaal nog mogelijk.’

Leiden zij een bijzonder leven? Zelf vinden ze van niet, ook al hebben ze ingestemd met dit vraaggesprek. Want ze waren het er wel mee eens dat het voor jongere mensen interessant kon zijn om te lezen hoe „één en één meer dan twee is” (haar woorden, bovenin de brief).

Daar bedoel ik mee, zegt Joop Mansvelt, „dat wij heel verschillend zijn: hij is stil en beschouwend, ik praat veel”. En daardoor, zegt Jop Mansvelt, „passen we goed bij elkaar, het is een werkzame verbinding”. Zij weer: „Dat zeg je mooi.”

Natuurlijk, zegt ze dan, „heb ik weleens gedacht: de mensen zullen ons vast een vreemd stel vinden”. Maar voor haar voelde dat nooit zo: „Ik vond het juist bevrijdend, kunnen doen wat je zelf wilt. En altijd als we elkaar nodig hadden, waren we er voor elkaar.”

Hij: „Je geeft elkaar steun, maar je loopt elkaar ook weer niet in de weg.”

Zij: „Je kunt dat natuurlijk egoïstisch vinden.”

Hij: „Natuurlijk. Dat is het ook.”

Zij: „En dat wij allebei geen kinderen hebben, zou je ook egoïstisch kunnen vinden. Maar ik had het leuk met de kinderen op school. En jij was nooit zo’n kindervriend.”

Hij: „Nee, niet echt.”

Altijd vertelden ze aan elkaar hoe hun dag was. En natuurlijk ook aan hun moeder, toen die nog leefde. Joop Mansvelt: „Wanneer jij voor je bedrijf in het buitenland was, schreef je lange brieven. Die las ik haar altijd voor terwijl ik op de rand van haar bed zat.” Lachend: „En als ik dan toch iets lelijks over je mag zeggen: je hebt een onleesbaar handschrift.”

Hun moeder was lang ziek, haar dochter verzorgde haar. Ze overleed op haar 75ste, Joop Mansvelt was toen 50. Pas daarna ging ze voor het eerst met vakantie. En begonnen ze samen musea, de schouwburg en muziekuitvoeringen te bezoeken en naar restaurants te gaan. Had haar leven er anders uitgezien als ze niet zo lang was blijven zorgen?

„Dat weet ik niet”, zegt ze. „Ik had altijd snel van doen met andere mensen, niet alleen met mijn moeder. Jij bent wat harder.”

Hij: „Ja. Realistischer.”

Zij: „Ik denk eerlijk gezegd niet zoveel na over het leven.”

Hij: „Ik ook niet. Ik ben tevreden. Ik ben tevreden met mijzelf en mijn leven.”

Zij: „Ik denk dat dat een belangrijke stelling is: niet te veel nadenken over het leven. Maar we hebben natuurlijk ook niet veel tegenslag gehad. Geen enge ziektes.”

Hij: „Alleen die longontsteking die ik laatst had. Dat was minder. En ik heb die nare rollator.”

Zij: „Toen je die longontsteking had en ik je ’s nachts aldoor glaasjes water bracht, dacht ik: dit is het slot. En ik dacht ook: voor mij is het jammer, maar voor jou is het goed. Op deze manier stap je er mooi uit.”

Hij: „Maar nee hoor, ik zit er nog.”

Zij: „Als je zo oud wordt als wij, ontstaat er een soort eenzaamheid om je heen. Je eigen leeftijdsgroep is vrijwel weg. Mensen zijn jonger dan jij of ze zijn zieliger. Ze klagen altijd.”

Hij: „Daar doen wij niet aan mee. Ik ben nog bij een fotoclub en als ik daar iemand vraag hoe het gaat, is het al snel van: nou, ik was voor mijn kwaal laatst weer in het ziekenhuis en toen...”

Zij: „Dan luister jij eigenlijk al niet meer.”

Jop en Joop Mansvelt leven nog vrijwel zelfstandig. Twee keer per week krijgt zij een mevrouw voor het huishouden „en het regelen van moeilijke zaken”, elke morgen komt iemand hem helpen met douchen en aankleden. Zij kan nog een uur wandelen, hij ongeveer een half uur. Ze zien er tien, vijftien jaar jonger uit dan ze zijn.

Zij: „Op een dag zeggen mensen tegen je: ben jij al tachtig? En daarna: ben jij al negentig? Het komt eigenlijk heel zacht over je heen.”

Hij: „Op de fotoclub zeggen ze: zo oud, dat kan toch niet?”

Zij, lachend: „Terwijl jij toch schuifelend loopt tegenwoordig.”

Er zijn natuurlijk wel dingen die achteruitgaan. Het lopen. Het geheugen. (Hij: „Ik ben al blij als ik de mensen nog herken.” Zij: „Maar jij hebt ook nooit geoefend met het onthouden van namen.” Hij: „Dat is zo, bij jou is namen onthouden een soort beroepsdeformatie.”) Het bijhouden van nieuwe ontwikkelingen.

Zij: „Jij hebt nog steeds een abonnement op een ingenieursblad, dat vind ik heel goed van je. Ik probeer dat ook te lezen, om te weten te komen wat jonge mensen allemaal uitvinden. Maar het is moeilijk.”

Hij: „Het is maar één blad. Ik mis wel degelijk de aansluiting bij de nieuwste ontwikkelingen. Dat ik niet alles meer snap...”

Zij: „...geeft een gevoel van machteloosheid.”

Hij: „Ik ken gelukkig iemand bij de fotoclub die verstand heeft van computers. Die helpt mij als er problemen zijn.”

Zij: „Ik zou weleens willen weten wat jonge mensen van me denken. Hoe kijken jongeren aan tegen mensen die zo oud zijn geworden als wij? Onder ons is nu een heel jong stel komen wonen, begin twintig denk ik. Die vroegen of we onze bel zachter konden zetten. De bel maakte hen wakker als ze uit wilden slapen. Maar we hadden die bel net een beetje harder laten afstellen, om hem beter te kunnen horen.”

Hij: „En dan zeggen ze: we hebben veel geld betaald voor dit appartement, we willen geen overlast.”

Zij: „Terwijl, het is hier heel stil. Ik slaap al mijn hele leven met open ramen. Maar in een flat hoor je altijd wel wat natuurlijk.”

Ze denkt dat oudere mensen relativerender zijn dan jongere mensen. „Je weet dat de dingen vroeger ook niet allemaal even goed en fijn waren. En je weet op een gegeven moment ook dat ieder mens leuke en minder leuke kanten heeft.”

Ze heeft ook nog een belangrijke stelling: „Je moet niet naar binnen kijken, want dat ga je tobben en zeuren. Je moet naar buiten kijken.” Schilderen is naar buiten kijken. Fotograferen ook.

En dan is er nog een les: „Dat je iets weet te maken van het laatste deel van je leven, dat niet het leukste deel is.”

Hij: „Ook op geavanceerde leeftijd kun je nog zin aan je leven geven.”

Zij: „Een mooi woord gebruik je daar weer voor, geavanceerde leeftijd.”

    • Gretha Pama