Voor een filosoof maken d's, t's, dt's en komma's juist wel uit

De meerderheid van de studenten heeft inmiddels geen besef meer van spelling.

Taaltests helpen niet als studenten toch in het Engels moeten studeren.

Zo’n twee jaar geleden moest ik bij het afnemen van een schriftelijk tentamen tot de wrange conclusie komen dat de groep die de Nederlandse spellingsregels nog redelijk beheerste, voor het eerst een minderheid was geworden. Het merendeel bleek geen consistent besef meer te hebben van het gebruik van d’s, t’s en dt’s, om van de manieren waarop je een welgevormde volzin neerschrijft nog maar te zwijgen.

Is dat ernstig? Ja, dat is het – en voor filosofiestudenten misschien nog wel meer dan voor juridische en letterenstudenten. Terwijl die laatsten de taal die zij gebruiken nota bene zelf als studievoorwerp hebben, zijn de eersten er op een doorslaggevende manier van afhankelijk. Wat een zin betekent, is afhankelijk van de manier waarop hij wordt gevormd en neergeschreven. Een komma kan de hele inhoud ervan veranderen, een verkeerde d of t net zo goed.

Wat het voor het juridisch verkeer tot gevolgen heeft wanneer men daarin maar wat aanrotzooit, laat zich raden. Maar naast deze praktische reden is er ook een inhoudelijke. Want hoewel spelling soms een kwestie van leren en stampen is (de beruchte ou/au of ei/ij), is dat bij het probleem van de d’s, t’s en dt’s in het vervoegde werkwoord nu juist niet het geval. Daarin komt het aan op het toepassen van regels en dus van een toepassing van abstract, logisch denken. De jurist voor wie dat te hoog gegrepen is, vertrouwt men liever geen gecompliceerde rechtskwestie toe. De filosoof die zich daartoe geen moeite meer wil getroosten, is nog niet eens begonnen met te deugen voor zijn vak.

Sommige universiteiten nemen hun studenten in het eerste jaar inmiddels een taaltest af. Wie daar niet doorheen komt, krijgt extra lessen in wat eigenlijk al bij het verlaten van de basisschool in het hoofd gebeiteld had moeten zitten. Het is te laat. Als je dit soort dingen niet op het geschikte moment leert, komt het nooit meer helemaal goed. Maar extra taallessen zijn íéts en laten we er het beste maar van hopen.

Helaas slaat diezelfde universiteit die hoop onmiddellijk weer de bodem in. Want terwijl zij aan de poort zorgelijk fronst over het bedroevende Nederlands van haar studenten, eist zij van hen daarna steeds vaker iets heel anders. Meer en meer colleges worden in het Engels gegeven en in sommige studierichtingen zijn al bijna geen Nederlandstalige masteropleidingen meer te vinden.

Dat mag in de natuurwetenschappelijke faculteiten misschien niet al te veel problemen opleveren, in de studierichtingen waarin juist taalgevoel en -beheersing een hoofdrol spelen, zijn de gevolgen bizar. Plots kan zelfs de meest stijlbewuste student met zijn voortreffelijke Nederlands geen kant meer op – de tentamens die hij moet doen, de papers die hij moet inleveren en de scripties die hij moet schrijven, worden slechts in het Engels geaccepteerd.

Dat moeten die studenten dan maar leren, vindt de universiteit. Waar zij tekortschieten, worden ook zij ijlings bijgespijkerd: nu in de Engelse taal – waarin zij zich niettemin nooit helemaal thuis zullen voelen. Want zoals het voor het Nederlands te laat is wanneer je de spelling daarvan op je achttiende nog leren moet, zo is het dat voor een vreemde taal al helemaal.

„Soms schrijf ik ideeën die ik heb in mijn papers maar niet op”, zo bekende een student mij laatst. „In het Engels heb ik er de woorden en de subtiliteit niet voor.” Zo werkt de universiteit aan de ene kant tegen waar zij aan de andere kant krokodillentranen om huilt. Uiteindelijk zijn studenten noch in het Nederlands noch in het Engels in staat de gedachten uit te drukken die zij hebben leren ontwikkelen, maar die noodgedwongen opgesloten blijven in hun hersenpan.

Ger Groot is docent filosofie aan de Erasmusuniversiteit Rotterdam en medewerker van NRC Handelsblad.