Vondel heeft echt bestaan

Je wilt – nu ja, ik wel – eigenlijk wel graag iemand zijn die haar eigen wereld goed kent. Ook historisch. En dan bedoel ik niet alleen dingen als weten dat je oudtante, die ambtenaar was, na de oorlog dispensatie kreeg van de koningin om te blijven werken ook al was ze getrouwd, maar ook: je stad of dorp een beetje kennen. Dat je mensen die van elders komen iets kunt vertellen als ze vragen naar de ouderdom van een gebouw, het inwoneraantal van een stad, het waarom van de glooiingen in een landschap.

Ja, dat zou echt fijn zijn. Dan zou je bewering dat je je zo thuis voelde daar waar je bent, werkelijk ergens op gebaseerd zijn.

Sommige vrienden kunnen of konden het. Die kijken naar een landschap en zeggen: daar, waar je ziet dat het wat omhoogkomt, daar heeft een water gelopen, daar was een stuwwal, de weg ligt niet voor niets hier hoger, dat is omdat, en dat-ie daar zo’n vreemde bocht maakt, dat komt door.

Zulk praten. Zulk kennen van wat je ziet.

Of dat iemand desgewenst gewoon vertelt hoe die Amsterdamse grachtengordel en wanneer nu eigenlijk tot stand gekomen is.

In plaats daarvan stond ik in de oudste kerk van Amsterdam, de Oude Kerk en keek vrijwel verpletterd door ontzag naar de houten tongewelven, die je elke keer weer bijna vergeet omdat het zo óngelooflijk is dat ze er zijn. Het kan helemaal niet, veertiende-eeuws hout, in een stad waar menige brand gewoed heeft, dat zich daar zo gaaf en zelfs gedeeltelijk beschilderd boven je hoofd welft.

Waarom weet ik hier niet álles van, dacht ik, kijkend naar de wonderlijke piëta waarop Jezus het hoofd gewoon lekker rechtop houdt, alsof hij er zelf nog, of alweer, helemaal bij is. Hoe stelden onze voorouders zich dat voor? Is dat een noordelijke traditie, dat opgeheven hoofd in plaats van dat jammerlijk achterover geknakte?

Amsterdammers schijnen er niet veel te komen, in de Oude Kerk. Het zijn voornamelijk toeristen die de moeite van een bezoek nemen. Nu zijn er vast wat meer bezoekers, dankzij World Press Photo, maar kijken die wel goed rond? Voelen ze wel hoe ongelooflijk – on-ge-loof-lijk – het is dat een zo oude gedeeltelijk houten, hou-ten, kerk zomaar middenin die verschrikkelijk ordinaire schreeuwerige hoerenbuurt staat?

Misschien niet.

Het is trouwens ook eigenlijk het fijnste in die kerk als er bijna niemand is. Stilte. Graven met mooie belettering. Licht door de ramen dat valt op schoonheid die nergens meer om vraagt.

En waarom kan je dat allemaal zo schelen? Behalve dan om dat theoretische gevoel van thuiszijn door kennis, toch ook om een ander theoretisch gevoel: dat hier van alles is gebeurd, dat hier mensen hebben gelopen, gezeten, gezongen, geschreeuwd en dat iets daarvan, omdat dat gebouw er nog staat, bewaard is gebleven. Hier.

Ooit heb ik verdwaasd in Heidelberg gezeten omdat ik me ineens, daar bij het slot, voorstelde dat Goethe echt, écht, door die tuin gelopen had waar ik nu zat.

En nu in de Oude Kerk voelde ik ineens dat Rembrandt echt, écht, door die deur gegaan was, die daar, die rode. Dat Vondel in deze sacristie getrouwd is. En even hoor je jezelf dan de merkwaardige gedachte denken: dan heeft hij dus echt bestaan, Vondel.

Twijfelde je daaraan? Welnee. Maar dat gebrek aan twijfel is ook al theoretisch, de levende man, de mogelijkheid zelfs maar van een levende man die Vondel was, dat is een film, een boek, een toneelstuk – geen werkelijkheid.

Maar hier gingen zijn voetstappen, over deze stenen, waar nu de mijne gaan. Waar zijn die voetstappen gebleven?

„Waar is de gedoofde vlam gebleven,/ waar liep ze heen in haar gele jurk,/ door schaduwen gevolgd?” schrijft de Zweedse dichter Werner Aspenström en noemt dat ‘een kinderlijke vraag’. (Trouwens, een mooie dichter die Aspenström, en gemakkelijk om kennis mee te maken in een van de deeltjes van de onvolprezen reeks ‘De mooiste van’ uitgegeven door Lanno/Atlas).

Het is een kinderlijke vraag. Waar bleef de aanraking van Vondels hand op de deurkruk? Je weet het niet. Nergens.

Maar ook: hier.

Merkwaardig gelukkig prijs je je dan, om te wonen in een stad, een land met bewaarde historie. Hoe zwaar om Rotterdammer te zijn – alles is weg.

Ik sta op het punt om naar Griekenland te gaan, een land met een verder terugreikende zichtbare geschiedenis. Maar het gekke daar is altijd: tussen die heel oude geschiedenis en pakweg het eind van de negentiende eeuw zit zo goed als niets. Middeleeuws Griekenland, zeventiende-eeuws Griekenland, het is bijkans onzichtbaar. Historieloze steden, zielloze boulevards, kades die eruit zien alsof er kortgeleden een bom ontploft is.

Het enige wat ze daar nog hebben zijn kerken. Die staan soms ongeveer ónder een flatgebouw, hardnekkig voetstappen te bewaren van wie er ooit in en uit gingen. Soms lijkt het wel of kerken daar speciaal voor zijn. Bewaarplaatsen. „Niets verdwijnt helemaal,/ het wisselt slechts van plaats”, schrijft Aspenström.

Vondels voetstap. Niet helemaal verdwenen.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/vos

    • Marjoleine de Vos