Som doet het met wetenschappers

De wetenschappelijke aanpak van 800-meterloper Bram Som lijkt te werken.

De atleet is optimistisch en enthousiast over de toekomst.

Sinds Bram Som de wetenschap tot zijn sportleven heeft toegelaten, ziet de atleet zijn toekomst weer zonnig in. De nieuwe weg die de Europees kampioen 800 meter is ingeslagen, voelt zelfs zo goed dat hij een medaille en de Olympische Spelen van Londen in 2012 al met elkaar durft te combineren. De Ter Specke Bokaal, die hij zaterdag op voorspraak van een jury in Lisse won, was het eerste goede resultaat van Soms nieuwe aanpak.

Ruben Jongkind en Florian Kügler zijn de wetenschappers die Som begeleiden en met hun voor atletiekbegrippen onorthodoxe werkwijze de twijfelende atleet weer zelfvertrouwen hebben gegeven. De verandering houdt simpelweg in dat Som meer op kwaliteit dan op kwantiteit traint. Hij loopt bijvoorbeeld niet langer 100 kilometer per week, zoals hij onder zijn voormalige trainer Honoré Hoedt was gewend. „Nu kom ik tot maximaal 50 kilometer, waarvan 35 tot 40 kilometer in wedstrijdtempo. Toen ik nog 100 kilometer liep, lag dat percentage op hooguit één. Door die afname van ‘slome’ kilometers herstel ik sneller en is mijn lichaam frisser.”

Som heeft nauwelijks getwijfeld over een rigoureuze verandering. Omdat hij zeker wist dat de oude aanpak niet meer werkte. „Ik ben in tien jaar tijd een halve seconde vooruitgegaan en was een atleet met een blessuretrauma geworden. Ik kon er niet meer uithalen. Dan moet je voor een andere weg kiezen. Iedere atleet is uniek en het is de kunst de juiste trainingsmethode bij hem te zoeken. Ik ben daar naar op zoek. Ik heb bakken met ervaring, maar weinig specifieke trainingskennis. Om die reden heb ik mensen gezocht die me kunnen prikkelen. We kiezen bewust voor de lange termijn. Ons doel is ‘Londen 2012’ en tot die tijd is het aftasten, zodanig dat we in 2011 exact weten wat ik moet doen om een olympische medaille te winnen.”

De nieuwe prikkels komen van Jongkind – oud-onderzoeker bij zowel het kenniscentrum TNO als de Technische Universiteit Eindhoven – met zijn kennis van biomechanica en van Kügler, een bewegingswetenschapper aan de Universiteit van Berlijn. Het tweetal vormt Aprendo, een jong bedrijf voor onderricht in hardlooptechniek. Jongkind en Kügler zijn beiden oud-triatleten en steken hun kennis van die sport ook in de trainingsschema’s van Som. Als hij geen looptraining heeft, traint de atleet alternatief, waarmee hij onder andere zwemmen en fietsen bedoelt. In de atletiek ongebruikelijk, maar volgens Som inspirerend. „Ik voel me weer dat jochie van negentien dat uitkijkt naar een training. En waarom zouden zwemmen en fietsen niet kunnen? Triatleten bewijzen het tegendeel. Het is leuk om te doen en ik laat mijn hart met 130 tot 140 slagen pompen.”

Bij de atletiekunie heerst scepsis over Soms breuk met de bondstrainers Hoedt en Grete Koens – die hem het laatste jaar voor de Olympische Spelen in Peking begeleidde – en zijn daaruit voortvloeiende keus voor zelfstandigheid. Som is op basis van zijn status door technisch directeur Peter Verlooy wel toegelaten tot de nationale selectie, maar hij krijgt geen volledige ondersteuning van de bond. Dat de atleet veel kosten voor eigen rekening moet nemen, deert hem niet; de hervonden vrijheid is hem dat waard.

Hoedts verwijt dat Som zich liever laat omringen door aanbidders dan een goede coach heeft de atleet gestoken, maar is voor hem ook een stimulans het tegendeel te bewijzen. Vooralsnog lijkt Som de juiste keus te hebben gemaakt, want bij zijn rentree op de buitenbaan in Zutphen liep hij onlangs de 800 meter in 1.46,49. En gisteren bij de Ter Specke Bokaal in Lisse won hij de incourante 1.000 meter in 2.19,26, wat als een goede tijd kan worden aangemerkt. Som demonstreerde in Lisse, waar hij de Europese indoorkampioen van 2007 Arnoud Okken versloeg, vooral vastberadenheid, macht en overtuiging. Dat er al lichte jubel over zijn comeback valt te beluisteren, zint Som niet. Om zijn tijden in perspectief te zetten: „In Qatar werd vrijdagavond al 1.43,09 (door de Soedanees Abubaker Kaki, red.) op de 800 meter gelopen. En dan wordt hier een gat in de lucht gesprongen over mijn 1.46,49. Dat toont een beetje de Nederlandse bekrompenheid. Ik hoef me niet te meten met de nationale top; ik richt me op de wereldtop. En ik vind mezelf een atleet die 1.42,00 moet kunnen lopen.”

    • Henk Stouwdam