Ma zat vaak in de kast

Discussies over engagement en literatuur doen je vergeten dat er ook romans zijn over universeel leed.

Zandwijk schreef een mooie roman over hulpeloosheid.

Cote Sud 83 Cote Maison/Hollandse Hoogte Dit beeld is onderdeel van een serie! Mathéus, Nicolas ;Hollandse Hoogte

In het donderende debat over de rol van de actualiteit in de Nederlandse romankunst zou je bijna vergeten dat er ook nog boeken verschijnen waarin een meisje vertelt over haar dode moeder, haar moeilijke broertje en haar uithuizige vader. De dertienjarige vertelster in Pierenland, de derde roman van Nelleke Zandwijk, is op zoek naar haar plaats in de wereld.

Dus begint ze haar verhaal met waar ze zeker van is: haar familieleden. ‘Mijn naam is Helena Hartsuiker. Ik ben vernoemd naar mijn tante Lena, voluit Lena Hudepoel. Zij is getrouwd met Herman Flobbe, maar ze vertikt het om die naam aan te nemen [...] Mijn moeder leverde zichzelf zonder slag of stoot over aan Jo Hartsuiker, mijn vader. Van mijn tante hoorde ik dat ze meteen na de bruiloft de telefoon had opgenomen met Dini Hartsuiker.’

De tante komt voor de moeder. Dat tekent de moeizame relatie tussen Helena en haar moeder. Vooral illustreert het het verlangen van het meisje om verder te gaan. Want haar toekomst is die tante. Haar moeder is op een middag dood onderaan de trap gevonden. Tweemaal, eigenlijk. Eerst door Tonnie, de autistisch aandoende broer van Helena, die niets anders wist te doen dan over het lijk stappen en naar zijn kamer gaan. Pas later kwam Helena’s vader thuis.

De dood van de moeder blijkt het slot van een lijdensweg. ‘De oorzaak van mijn moeders dood was een hartaanval’, schrijft Helena. Maar ook: ‘Zolang ik me kan herinneren lag mijn moeder in bed als ik uit school kwam. Ze was zo verdrietig dat dood of leven haar weinig interesseerde. Ze hield wel van Tonnie en mij maar voor ons zorgen kon ze niet, daarom verstopte ze zich vaak in haar kledingkast als we thuiskwamen.’

Zo schetst Zandwijk al in de eerste tien pagina’s van Pierenland het ongelukkige gezin zo treffend, dat het vervolg van de roman onwillekeurig iets van een invuloefening krijgt. Die wordt gedragen door de brutale stem van Helena, die de wereld om haar heen met puberale respectloosheid beziet – en haar bij vlagen ook even respectloos behandelt. Ze bespot en pijnigt haar broer, pest de kinderen op school en hekelt haar vader. Die laatste zoekt buitenshuis verlichting voor zijn lijden, iets wat hij misschien ook wel deed voordat hij weduwnaar werd.

De enige die zich om haar bekommert – of de enige bij wie Helena dat toestaat – is haar tante Lena. Die wijdt haar nichtje in in haar eigen werk, het afleggen van doden. Daarbij maakt Zandwijk tussen de regels door knap duidelijk dat die tante ook niet precies weet wat ze doet en waarom. De improviserende wijze waarop ze haar woedend rouwende nichtje dan maar het enige gebied binnenhaalt waar zij zelf op haar gemak is – de fysieke omgang met de dode mens – maakt de tante tot het roerendste personage. Iemand ook die symbool staat voor de hele roman, die uiteindelijk vooral een spectrum van verschillende soorten hulpeloosheid is.

Dat universele leed is geen nieuw of opmerkelijk thema, maar de invulling die Zandwijk eraan geeft is prettig onsentimenteel, mede dankzij haar gevoel voor komische situaties waar ze al ten tijde van haar debuut (De dag van de jas, 2001) om werd geprezen.

Wanneer de vader van Helena zijn nieuwe vriendin in de buurt wil integreren, laat Zandwijk haar vertelster schrijven: ‘Mijn vader had het onzalige idee opgevat om Kana en haar kinderen voor te stellen aan de buurt. Een soort welkomstfeestje zou het worden, zonder geroosterde geit in Griekse marinade, want zo leuk was het allemaal nou ook weer niet.’

Zo leuk was het allemaal nou ook weer niet. Het is een typerende zin voor Pierenland, dat door de toon ver uitstijgt boven wat er verder zoal aan romans over lijden en dood wordt geschreven.

Een interview met Nelleke Zandwijk is te beluisteren via boeken.vpro.nl

Nelleke Zandwijk: Pierenland. Querido, 216 blz. € 17,95