Iedereen doden! Alles platbranden!

Japan liet in 1937 200.000 Chinese burgers afslachten.

Nu pas komen daar boeken over, zoals het dagboek van ‘Nankings Schindler’.

Marinevlag en een foto van Japanse oorlogspremier Tojo worden vertrapt bij de herdenking van ‘Nanking’. Foto AP/Vincent Yu A protester steps on a Japanese naval flag symbolizing war-time Japan with a picture of former Prime Minister Hideki Tojo outside the Japanese consulate in Hong Kong Wednesday, Dec. 13, 2006, during a protest commemorating Nanjing Massacre. Nanjing suffered a rampage of murder, rape and looting by Japanese troops in 1937 that became known as "The Rape of Nanking," using the name which the city was then known in the West. Historians generally agree the Japanese army slaughtered at least 150,000 civilians and raped tens of thousands of women. China says that as many as 300,000 people were killed. (AP Photo/Vincent Yu) Associated Press

Nanjing 1937 – een liefdesgeschiedenis. Op een Chinese lezer heeft die titel van de roman van Ye Zhaoyan uit 2003 eenzelfde uitwerking als stond er Auschwitz, 1942 – romantische idylle. Liefdesgeschiedenissen zijn wel het laatste waarmee men in China het jaar 1937 associeert. Het Japanse leger viel toen vanuit Mantsjoekwo het Chinese grondgebied binnen. Peking en Tianjin vielen onmiddellijk, Shanghai na drie maanden bitter verzet. Met het drievoudige bevel van de Japanse legertop als leidraad – Iedereen doden! Alles platbranden! Alles plunderen! – rukten de keizerlijke troepen op richting de toenmalige Chinese hoofdstad Nanking. De stad werd ingenomen op 13 december 1937. Het drama dat zich toen voltrok, wordt omschreven als ‘de Slachtpartij van Nanjing’ of ‘de Verkrachting van Nanjing’: de Japanners brachten die winter zo’n 200.000 ongewapende Chinezen om.

Westerlingen weten weinig van deze geschiedenis. Iris Chang, een Amerikaanse journaliste schreef pas in 1997 voor het eerst een Engelstalige non-fictieboek over ‘De Slachtpartij. Haar studie The Rape of Nanking, die een bestseller werd, vestigde internationale aandacht op de Japanse oorlogsmisdaden. Chang claimde dat het bloedbad in Nanjing dezelfde symboolstatus verdient als de Holocaust, omwille van de openheid (in Tokio werd de val van Nanjing gevierd), de grondigheid (zeker 200.000 Chinezen kwamen om, ongeveer 80.000 vrouwen werden verkracht) en de wreedheid waarmee de Japanse soldaten te werk gingen. Om die bewering te staven, beschreef ze massa-executies, groepsverkrachtingen en sadistische spelletjes. De Japanners stuurden honden af op tot de schouders ingegraven slachtoffers. Ze dwongen vaders tot incest en staken vrouwen levend in brand. Sommige soldaten reten met hun bajonet de buik van hoogzwangere vrouwen open om de foetus eruit te zien vallen.

Chang probeerde de Japanse wandaden steeds historisch in context te plaatsen. Ze had oog voor de algemene hersenspoeling van Japanse rekruten onder Hirohito’s militaire dictatuur én voor hun zedenverloedering tijdens de opmars naar Nanjing. Chang benadrukt dat er ook aan Chinese zijde verantwoordelijken zijn voor het hoge aantal burgerslachtoffers. Toen Tsjang Kai Sjek zijn regering eind oktober 1937 uit de hoofdstad weghaalde, richtte hij een onbeschrijflijke chaos aan. Met de terugtrekking van zijn leger op 12 december, tekende hij indirect het vonnis van wie achterbleef.

Hoe waardevol Changs studie ook is, enige kritiek is gegrond. De uitdrukkelijke typering van Nanjing als ‘een Holocaust’ is twijfelachtig en ook het beeld van de geschiedschrijving over het thema kon genuanceerder. ‘Wie een Holocaust vergeet, moordt een tweede keer,’ zei de Joodse Nobelprijswinnaar Elie Wiesel. Met dat motto in haar achterhoofd haalt Chang scherp uit naar de doofpotoperatie rond de Slachtpartij van Nanjing. Haar stelling was dat de Amerikanen een Aziatische bondgenoot nodig hadden in de Koude Oorlog. Daarom controleerden ze na 1952 niet langer hoe Japan zijn oorlogsschuld verwerkte. Klasse A oorlogsmisdadigers keerden geruisloos terug op hoge posten, keizer Hirohito behield zijn smetteloze blazoen en Japanse schoolkinderen leerden over Hiroshima, maar nauwelijks over Nanjing. Japan koestert nog steeds een zelfbeeld als slachtoffer van de Tweede Wereldoorlog, en veegt zijn daderrol gemakshalve onder de mat.

Die voorstelling klopt, maar is onvolledig. Dat leert Takashi Yoshida’s studie The Making of the Rape of Nanking uit 2006. Al sinds de jaren vijftig gaan er in Japan stemmen op die de nationale geschiedschrijving aanklagen. Yoshida beweert niet dat het naoorlogse Japan een diepe catharsis doormaakte of definitief klaar is met zijn verleden. Zijn boek verrast niet zozeer in de passages over de Japanse historiografie over Nanjing, als wel in die over de Chinese. Vandaag geldt de Slachtpartij in de Volksrepubliek als het ultieme symbool van de Japanse oorlogsagressie. Dat is een relatief recent fenomeen.

Na de capitulatie van Japan in 1945, culmineerde in China de machtsstrijd tussen de nationalisten van Tsjang Kai-Sjek en de communisten van Mao Zedong. Toen Mao in 1949 aan de macht kwam, streefde hij naar een goede relatie met Japan. Hij schreef de slachtpartij van Nanjing op het gezamenlijke conto van zijn verslagen tegenstander Tsjang Kai-Sjek en de Amerikanen, die er met hun Internationale Veiligheidszone ‘een handige slachtkuil’ zouden hebben gecreëerd.

Die verdraaiing van de feiten bleef gangbaar tot de komst van Deng Xiaoping. Hij liet in 1985 in Nanjing een Gedenkhal en Museum oprichten voor ‘de 300.000 slachtoffers van de Japanse Agressor’. Gedenkplechtigheden, tv-documentaires en de film Don’t Cry, Nanking (1995) deden de rest. Pas de laatste twee decennia werd ‘Nanjing, 1937’ een krachtig nationaal begrip, geknipt voor provocerende boektitels.

Een boek als The Making of the Rape of Nanking laat een dubbelzinnig gevoel na. Het is fascinerend om te zien hoe verschillende landen en opeenvolgende generaties één historische gebeurtenis manipuleren en hertalen, maar er loopt iets fout wanneer het onderzoek naar een geschiedschrijvingsproces belangrijker wordt dan dat naar de geschiedenis zelf.

De dagboeken van John Rabe (1882 -1950) zijn geschreven door iemand die de hel van Nanjing meemaakte en bestreed. In 1937 werkte Rabe al zo’n dertig jaar voor Siemens in China. Terwijl iedereen met geld of macht Nanjing ontvluchtte, besloot hij te blijven. De 55-jarige Rabe voelde zich moreel verplicht om zijn Chinese werknemers te beschermen. Tussen december 1937 en februari 1938 deed hij meer dan dat door samen met een handvol Europeanen en Amerikaanse missionarissen de Veiligheidszone voor ongewapende Chinese vluchtelingen op te richten. Vaak respecteerde het Japanse leger de ‘internationale’ grenzen niet: ook binnen de Zone werden meisjes verkracht en verminkt of mannen weggevoerd naar executieterreinen aan de Yangtze. Betere bescherming was er echter niet. Het is hallucinerend om te lezen hoe Rabe rondrijdt en de orde handhaaft, met alleen zijn bulderstem en hakenkruisarmband als machtsmiddel.

Rond de jaarwisseling ’37-’38 huisden in Rabes woning alleen al 602 mensen op vijfhonderd vierkante meter. In de hele Internationale Veiligheidszone zat een kwart miljoen Chinezen. Rabe en zijn comité stonden in voor de veiligheid, bevoorrading en verzorging van die massa. Op 25 november 1937 noteerde hij: ‘Ik zou willen, bij God, dat Hitler ons helpt!’. Maar zijn hulpkreet per telegram aan de Führer bleef onbeantwoord. Na een etentje met Japanse diplomaten klinkt het: ‘Ik zei dingen die nogal indruisen tegen mijn geweten, maar het leek me nuttig voor onze zaak.’ De ene dag ziet Rabe een Japanse soldaat plassen in de halve kom rijstsoep van een Chinees gezin van zes. Een andere dag stuurt hij wijn naar de Japanse ambassade. Wie anders kan hem helpen met het intomen van hun losgeslagen leger?

Rabes dagboek is menselijk en concreet. Hij maakt zich afwisselend zorgen om een stapel van 30.000 onbegraven lijken, om zijn eigen diabetes en het welzijn van z’n vrouw in Shanghai. Bij vlagen is hij onverwacht puntig: ‘Van alle kanten komen dezelfde berichten binnen over verkrachtingen, moord en verminking. Soms lijkt het of de hele criminele populatie van Japan hier rondloopt in uniform.’ John Rabe had een groot hart, sterke zenuwen en een nuchtere, vrij goede pen. Zijn aantekeningen uit Nanjing horen bij de belangwekkendste egodocumenten van de 20ste eeuw.

De Nederlandse uitgever van de vertaling koos voor de titel ‘De Goede Nazi van Nanking.’ In de Duitse en Engelse versie heeft men het over een ‘goede Duitser’. Was John Rabe een overtuigde nationaal-socialist? Aan het begin van zijn dagboek wel. Rabe werd in 1934 lid van de NSDAP in Nanjing, maar zijn liefde voor Hitler bekoelde bij zijn terugkeer in Berlijn. De Gestapo pakte Rabe op voor ondervraging en verbood hem lezingen te geven over zijn Chinese ervaringen. Verbolgen overwoog Rabe zijn partijkaart terug te sturen, maar deed dat uiteindelijk niet. Tijdens de Russische inname van Berlijn, betaalde hij daarvoor de tol – zoals blijkt uit zijn laatste dagboeknotities. Als voormalig partijlid verloor Rabe zijn baan en bijna was hij verhongerd.

De man die in Nanjing werd uitgewuifd als ‘de Levende Boeddha’, verdient een betere titel dan ‘de Goede Nazi’. De Goede Nazi van Nanking is een dubbel monument. Enerzijds brengt het oorlogsmisdaden tegen de Chinese bevolking in herinnering met meer kracht en directheid dan academische studies ooit zullen hebben. Anderzijds schenkt het de uitzonderlijke John Rabe postuum toch een forum. Rabe wilde getuigen over wat hij in Nanjing had meegemaakt, maar nadat de Gestapo hem monddood had gemaakt, vergaarden zijn dagboeken een halve eeuw stof op de familiezolder. Rabe krijgt nu eindelijk ook bij ons een stem.

De verfilming van het dagboek is vanaf september te zien. (www.johnrabe.de)

John Rabe: De goede nazi van Nanking. Hoe één man tweehonderdduizend Chinezen redde. Vert. door W. Hansen. Bezige Bij, 384 blz. €22,90.

Iris Chang: The Rape of Nanking: The Forgotten Holocaust of World War II, Penguin, 304 blz. € 12,-

Takashi Yoshida: The Making of the Rape of Nanking. Oxford University Press, 278 blz. € 22,-

Ye Zhaoyan: Nanjing. Een liefdesgeschiedenis, Ambo, 368 blz. Niet meer leverbaar.