Aftellen voor Brown

Toen Brown in juni 2007 eindelijk premier van het Verenigd Koninkrijk mocht worden, maakte de opvolger van Blair meteen zijn eerste fout. Hij besloot geen persoonlijk mandaat na te streven en schreef geen vervroegde verkiezingen uit. Door die omissie moet Brown nu uiterlijk voor de zomer van 2010 gewone verkiezingen uitschrijven.

De voortekenen zijn slecht voor hem. Volgens opiniepeilingen zou de Labour-partij slechts een kwart van de stemmen halen. De Conservatieven van oppositieleider Cameron, die de premier vorige week in het Lagerhuis retorisch nog alle hoeken van de kamer liet zien, zouden moeiteloos winnen.

De teloorgang van Brown wordt dezer dagen versneld door onthullingen over het declareergedrag van hemzelf, ministers en parlementariërs. De premier bracht de kosten van een werkster (6.500 pond) in rekening, die zijn broer zou hebben voorgeschoten. Minister Blears declareerde de aanschaf van meubels (5.000 pond). De oppositie gedroeg zich overigens niet beter. Schaduwminister Gove, een vertrouweling van Cameron, liet zijn meubels ook betalen. De Tory Willets diende een bonnetje (115 pond) in voor lampen in zijn tweede huis.

Dat Britse parlementariërs graag declareren, is niet raar. Een afgevaardigde ontvangt jaarlijks nog geen 65.000 pond. Dat is ongeveer 25.000 euro minder dan Tweede Kamerleden krijgen. De meeste declaraties waren legaal, maar de details ondermijnen het toch al niet verheven prestige van de politiek nog verder. De politici staan te kijk als kleine krabbelaars, die achter elke laatste penny aangaan.

Voor Labour is dat pijnlijk. De partij kwam in 1997 aan de macht met de belofte dat er einde zou komen aan de praktijken die de Conservatieven achtervolgden. Labour maakte die belofte redelijk waar. De problemen waarmee de partij kampte, waren eerder politiek van aard. Dat Labour zich nu ook met de bonnetjes van haar leiders niet meer onderscheidt, kan de genadeklap zijn. Over bijna vier weken kan al duidelijk worden of de dagen van Brown zijn geteld. Op 4 juni worden in Groot-Brittannië gelijktijdig verkiezingen gehouden voor het Europese Parlement en de lokale besturen.

De uitslag kan aanleiding worden voor oproer binnen Labour. Voor velen in deze partij is Brown toch al nooit het ministerschap van Financiën ontstegen. Als premier heeft hij zelfs de begrotingsdiscipline laten varen.

Maar ook zonder Brown lijkt de Labourpartij weinig kans te hebben op voortzetting van de macht. Na twaalf jaar is ze in de ogen van de Britse burgers wel uitgeregeerd. Dat ligt voor de hand. Na zo’n periode van onbetwiste macht is de glans in elke democratie er wel af. Onder Thatcher en Major hielden de Tories het achttien jaar vol. Nadien was die partij volledig uitgewoond, zowel ideologisch als beleidsmatig.

Of de Conservatieven zich intussen hebben hervonden, is de vraag. Oppositieleider Cameron heeft de Britten vooral een nieuw gezicht te bieden en nog geen nieuwe politiek. Ook zonder Brown blijft continuïteit het trefwoord.