'Zeg je oorlog?'

In het verhaal The Dream praat Churchill zijn overleden vader bij over twee wereldoorlogen.

De Tweede Wereldoorlog was voorbij en de grootste strateeg zat thuis achter zijn schildersezel. Het was een mistige middag in november 1947. Winston Churchill was bij de verkiezingen van 5 juli 1945 verpletterend verslagen en sindsdien was hij in het Lagerhuis alleen nog de koppige aanvoerder van een kleine minderheidsfractie. Net als in de jaren dertig liep de Conservatieve leider, zo werd gezegd, niet meer gelijk op met de Britten. Die wilden vrede, vooruitgang en sociale voorzieningen, en deze traditionele bullebak paste niet meer in die nieuwe tijden.

Churchill werkte, geconcentreerd, aan een kopie van het portret van zijn vader, lord Randolph Churchill (1849-1895), maar plotseling had hij een vreemd gevoel. Hij draaide zich een halve slag om, en daar, in zijn rode leunstoel, zat zijn vader, bezig met zijn sigarettenkoker. „Hij was precies dezelfde als in mijn herinnering aan hem, in zijn charmantste stemming, zo sterk dat ik nauwelijks mijn ogen kon geloven”, schreef hij later. „‘Papa!’, zei ik.”

Zo begint The Dream, een van Churchills minst bekende en tegelijk ook vreemdste verhalen. Het ontstond in familiekring, op zijn geliefde landgoed Chartwell. Het verhaal was alleen bekend bij een handvol intimi. In 1966 werd het gepubliceerd in The Sunday Telegraph, maar pas in 2005 werd het door Pegasus Publishing als een op zichzelf staand boekje publiek gemaakt.

Eerst tasten vader en zoon elkaar voorzichtig af. Randolph – ‘Ik weet niets meer na ’94, ik was dat jaar erg verward…’ – informeert uitvoerig naar het wel en wee van personen en instituties die in zijn tijd de toon zetten. Direct al praten de twee mannen volkomen langs elkaar heen: tussen hen liggen immers twee wereldoorlogen, maar de vader weet van niets. „Bestaat de Carlton Club nog?” „Ja, ze gaan het herbouwen”, zegt de zoon – de Carlton Club was tijdens de Tweede Wereldoorlog platgebombardeerd. „Ik dacht dat het gebouw het wel langer zou volhouden”, meent de vader. „De structuur leek me heel solide.” Hij vraagt naar de races. „U bedoelt paardenraces?” „Natuurlijk, wat anders?” „Welke partij is nu aan de macht? Liberalen of Conservatieven?” „Geen van beide, papa. We hebben een socialistische regering, met een hele grote meerderheid.” De oude Randolph is verbijsterd. „Socialisten!”

Stapje voor stapje wordt nu de laatste halve eeuw doorgenomen, de vader aan de hand van de zoon: de rol van de Church of England, de suffragettes, de Ierse kwestie. „Is Rusland nog het gevaar?” „We zijn er allemaal erg bezorgd over.” „(..)Is er nog een tsaar?” „Ja, maar hij is geen Romanoff. Het is een andere familie. Hij is veel machtiger, en een nog veel grotere despoot.”

„Woon je hier?” Winston vertelt dat hij even verderop woont, in een huis dat nu, door de nevel, niet zichtbaar is. „Hoe kom je aan de kost?” „Ik schrijf boeken en artikelen in de kranten.” „Ah, een journalist. Daar is niets mis mee. Ik schreef zelf stukken voor de Daily Graphic toen ik naar Zuid-Afrika ging. En ik werd er goed voor betaald. Honderd pond per artikel!” Direct daarop vraagt Randolph naar het familielandgoed, Blenheim. De hertog en de hertogin van Marlborough leven er nog altijd, vertelt Winston, maar slechts in één vleugel. „De rest is bezet door de MI5.” Hij legt uit dat daarmee gedoeld wordt op een regeringsinstantie uit de oorlog. „Oorlog?”, roept de vader, terwijl hij verbijsterd rechtop gaat zitten. „Zeg je oorlog? Was er een oorlog?” „We hebben niets anders gehad sinds de democratie het roer overnam.” „Je bedoelt echte oorlogen, geen grensexpedities? Oorlogen waarin tienduizenden mannen hun levens verliezen?” „Ja, inderdaad, Papa. Dat ging almaar door, de hele tijd. Oorlogen en geruchten van oorlogen, altijd, sinds u stierf.”

Winston vertelt over de Boerenoorlog en zijn eigen rol in het leger. Zijn vader is niet erg onder de indruk. „Hoe dan ook, hier ben je. Je hebt een dak boven je hoofd. Je hebt tijd genoeg om wat rond te rommelen met verf. Je hebt jezelf duidelijk overeind gehouden. Getrouwd?” „Veertig jaar.” „Kinderen?” „Vier.” „Kleinkinderen?” „Vijf.”

„Het doet me plezier. Maar vertel me over die andere oorlogen.” En dan beschrijft Winston in een handvol zinnen die andere twee oorlogen. „Maar zulke oorlogen moeten wel een miljoen levens hebben gekost”, meent de vader. De zoon corrigeert: vele tientallen miljoenen. De vader, verbijsterd, frommelt lang aan zijn lucifersdoosje. Hij is blij dat hij het allemaal niet meer heeft hoeven meemaken, maar hij verbaast zich ook over de kennis van zaken waarmee zijn zoon spreekt. Hij glimlacht hem welwillend toe. „Natuurlijk ben je te oud om over zulke dingen te denken, maar als ik je zo hoor praten vraag ik me werkelijk af waarom je niet de politiek bent ingegaan.” De vader strijkt zijn lucifer aan, een flits, en het is voorbij.