We moeten zo veel en we kunnen zo weinig

Het was zo’n radioprogramma waarin luisteraars konden reageren op het onderwerp van de dag. Deze keer ging het over handtashondjes. Dat schijnen hondjes te zijn die het midden houden tussen huisdier en modeaccessoire, en in ieder geval zo klein zijn dat ze in een handtas passen. Maar bij de veiligheidscontrole van Schiphol mogen ze er niet door, zodat menig baasje of vrouwtje ter plekke afscheid neemt van Fikkie en hem op de tegels zet. Per maand krijgt Schiphol zo met een stuk of zestig ontheemde en ontredderde hondjes te maken. Wat moet er met deze situatie gebeuren, was de vraag.

De luisteraars reageerden boos en grimmig. Die eigenaars moesten een boete krijgen of zelf aan de grond blijven, en het scheelde niet veel of er werden lijfstraffen geëist. Het was een programma van Business News Radio, de zender waar half zakelijk en ondernemend Nederland in de auto naar luistert. Maar niemand van de inbellers zei dat hier kennelijk een marktbehoefte lag, een ondernemende kans om een hondenopvangbedrijfje te beginnen. Zestig hondjes maal pakweg 300 euro – van 18.000 euro per maand moet je toch een onderneminkje kunnen maken? Doe er tegelijk een bewaarservice bij voor al die ingeleverde zakmesjes, en je hebt alweer een marktsegment dat blij met je is. Maar nee, zelfs op deze businessradiozender hadden de luisteraars niets dan verontwaardiging te bieden. ‘Zij’ deugen niet, en het enige wat ‘wij’ kunnen bedenken is mopperen en veroordelen.

Frits Abrahams heeft in deze krant een vergelijkbaar programma, alleen niet voor luisteraars maar voor lezers. Vorige week ging het over kinderopvang. „Nu ben ik zo murw van de spanning over de kinderopvang dat ik besloten heb om minder te gaan werken. Dit is kennelijk zoals we het willen in Nederland”, schreef iemand. Murw, inderdaad, het is de reactie van iemand die is stukgelopen tegen de overmacht van hoe ‘we’ het willen in Nederland. Dan moeten ‘ze’ het in Nederland ook zelf maar weten, dan houdt ze ermee op. Wat de volwassen keuze had kunnen zijn van een zelfstandige persoon die zich een pad baant tussen de gegeven kansen en beperkingen van het leven, wordt een verongelijkte reactie op een maatschappelijke samenzwering. Het is niet eerlijk.

De Duitse filosoof Peter Sloterdijk bood vorige week, in een voordracht op de Nijmeegse universiteit, een prikkelende kijk op wat er met ons aan de hand is. Vroeger geloofden we in God, zei hij. Dat hield ons klein en miserabel want er waren geboden en wij schoten altijd tekort. Gij zult niet echtbreken, gij zult uw naasten liefhebben, dat soort dingen. Aan het eind zouden wij ons moeten verantwoorden voor de rechtersstoel van die oordelende god, zodat wij altijd onder de dreiging van straf en verdoemenis leefden. In die god geloven we niet meer, maar het lijkt wel of we niet zonder dreiging kunnen want in zijn plaats hebben we nu het geloof in de naderende catastrofe. Dat is een nieuwe god, en net als de oude heeft ook hij zijn strenge imperatief. Alleen is die niet langer geformuleerd als een opdracht van buiten, zoals ‘Gij zult’. Dat was een gebod waartegen tenminste nog burgerlijke ongehoorzaamheid mogelijk was. Nu is het ‘Wij moeten’, als in ‘Wij moeten CO2-neutraal leven’ en ‘Wij moeten de planeet en het leven op aarde redden’. Ook op kleinere schaal moeten wij van alles – als vrouw carrière maken én moeder zijn, als man succesvol zijn én gevoelig. Het is een verschrikkelijke klem. Voor de verre god kon je nog proberen weg te lopen, maar nu zitten de onmogelijke opdrachten in ons hoofd, geprogrammeerd op onze harde schijf. Ze blijven bij je, waar je ook heen gaat. Wie er niet gek van wordt of een gespleten bestaan ontwikkelt, wordt depressief onder het niet-aflatende, overweldigende besef van onontkoombaar tekortschieten dat zich op onze tengere ruggen stapelt. Wij zijn al-verantwoordelijk, en tegelijk ook nietig en machteloos. We dachten dat we zonde hadden afgeschaft? We zijn er miserabeler aan toe dan in de donkerste middeleeuwen. ‘Heer ontferm u’, proberen onze lippen soms nog te prevelen. Maar de hemel is leeg, en verlossing niet in de aanbieding. Er is alleen die dreiging, die bovenmenselijke verantwoordelijkheid. De naderende wereldcrisis is de nieuwe Apocalyps, het is onze schuld en wij moeten hem afwenden. Geen wonder dat we de symptomen vertonen van een collectieve burn-out. We zijn überfordert, in de woorden van Sloterdijk; we moeten zo veel en kunnen zo weinig.

Twintig eeuwen geleden was er een andere filosoof, Epictetus, die, net als wij, in een onzekere en verwarde wereld zijn standpunt moest bepalen. Het is belangrijk twee soorten dingen te onderscheiden, zei hij, de dingen waar we over gaan en de dingen waar we niet over gaan. Het slechtste wat je kunt doen, is die twee door elkaar halen. Dan „zult ge veel hinder ondervinden, ge zult klagen, in verwarring worden gebracht en goden en mensen verwijten maken”. We zien het voor onze ogen gebeuren, met de boosheid op eigenaren van handtashondjes, of op ‘wij in Nederland’. Als je die dingen laat voor wat ze zijn – we gaan er immers niet over – kun je je aandacht geven aan de dingen waar je wel over gaat. Zoals je boodschappengedrag bij de slager, je besluit wel of niet de auto te nemen, of de vraag of je bij je huidige baan blijft of een hondencrèche op Schiphol begint. Het ruimt op in je hoofd, en het is beter voor de sfeer op straat, op de radio en in de krant.

    • Johan Schaberg