Planetoïde met staart doet onderscheid met komeet wankelen

Op 2 september 2008 ontdekte Gordon Garradd, een astronoom van de Siding Spring sterrenwacht in Australië, een vreemde planetoïde. Hij was gehuld in een grote stofwolk en had een staart die precies van de zon was af gericht. Dat wijst op de verdamping van ijsachtige materialen aan het oppervlak en dat is typerend voor een komeet. Er volgde meer onderzoek en nu is er een publicatie van Amerikaanse astronomen over P/2008 R1. Het is een mengvorm van een komeet en een planetoïde. Daarmee wankelt het strenge en klassieke onderscheid tussen beide categorieën hemellichamen (The Astronomical Journal, mei).

Een ‘planetoïde’ was altijd een steenachtig object dat in een elliptische baan, meestal tussen de banen van Mars en Jupiter, om de zon draait. Een komeet daarentegen bestaat uit ijs en stof. Kometen bewegen meestal in zeer langgerekte banen, van buiten ons planetenstelsel tot vlak bij de zon. In de buurt van de zon worden zij heet, hun materiaal verdampt en er ontstaat een staart.

Dertien jaar geleden werd de eerste ‘kometoïde’ ontdekt en P/2008 R1 is al de vierde. Het object heeft een diameter van ongeveer duizend meter en draait in 4,5 jaar in een licht elliptische baan om de zon. Net als de ontelbare andere, gesteente-achtige planetoïden in dit gebied. Het heeft een dubbele identiteit doordat hij het fysische gedrag van een komeet heeft.

Volgens de onderzoekers kan deze ‘komeet’ niet in zijn huidige baan zijn ontstaan. Die baan is namelijk op een – kosmisch gesproken korte – tijdschaal van slechts 20 tot 30 miljoen jaar onstabiel. Het ligt meer voor de hand dat het object pas vrij kort geleden geleidelijk in zijn huidige baan is gekomen, waarschijnlijk onder invloed van de aantrekkingskracht van Jupiter, en daarvóór in een stabiele baan verder weg in de planetoïdengordel draaide. Modellen die het ontstaan van het zonnestelsel beschrijven laten zien dat het toen in die contreien koud genoeg was om er ijsachtige planetoïden te laten ontstaan.

Waarschijnlijk verschuilen zich in de middelste en buitenste delen van de planetoïdengordel nog veel van zulke objecten. Ze zijn niet te zien doordat hun ijsrijke inwendige mogelijk door een donkere korst van de wereldruimte is afgeschermd. Maar als zo’n planetoïde in een baan dichter bij de zon komt, barst die korst open, wordt het ijs blootgesteld aan de straling van de zon en kan het hemellichaam zich als een komeet gaan vertonen.

George Beekman