Nieuw Nieuwgrieks

Eindelijk zijn er goede woordenboeken Nederlands - Nieuwgrieks en Nieuwgrieks-Nederlands. Marjoleine de Vos

Voor elke les een brief schrijven in het Nieuwgrieks, was de opdracht die mijn lerares Grieks destijds verstrekte. En dus ging ik elke veertien dagen zitten en probeerde een beetje een aardige brief te schrijven over hoe we zonder anti-vries op sneeuwvakantie waren gegaan of over de vijftig haringen die ik van iemand had gekregen. ‘Geen kattenpis’, dacht ik over die hoeveelheid haringen, of ‘stelletje uilskuikens’ over onszelf en de stukgevroren auto.

Geen mens verwacht dat een andere taal nu ook net precies die uitdrukkingen, ‘kattenpis’, ‘uilskuiken’, zal hebben voor ‘niet niks’ of ‘heel dom’. En we weten allemaal dat het weinig zin heeft om zoiets letterlijk te gaan vertalen – dan denk je als vanzelf aan schrijvers uit verre landen die zeggen: ‘In het Urdu hebben wij de onvertaalbare uitdrukking ‘als de maan vol is, moet je de hazen schieten” en dan indringend uit de beeldbuis kijken zodat wij de totale reikwijdte van deze uiterst diepzinnige zegswijze tot ons door kunnen laten dringen. Maar je hebt gewoon geen idee wat die hazen bij volle maan te zoeken hebben.

Zo zal geen Griek instemmend knikken, mogen we aannemen, als je met het woord voor uilenjong op de proppen komt, gesteld al dat je dat weet te vinden.

Dat was tot voor kort geen gemakkelijke opgave. Er waren wel wat woordenboeken Nederlands-Nieuwgrieks (en vice versa) maar ze stelden niet zo gek veel voor.

Er was de ‘basiswoordenlijst’ van A.M. van Dijk-Wittop Koning die iedereen uit het hoofd probeerde te leren, maar waaruit je zelden kon opmaken in welke situatie je een woord zou kunnen gebruiken. Het woord uilskuiken stond daar trouwens niet in. En nog heel veel andere woorden ook niet, want er waren maar 3000 trefwoorden in te vinden. Later kwam daar het woordenboek van M.A. Lindenburg bij, dat eigenlijk nogal op de basiswoordenlijst leek, alleen met veel meer woorden. En met als nadeel dat het uitsluitend om Nieuwgrieks – Nederlands ging en niet andersom, zodat een uilskuiken er onmogelijk in te vinden was. Dan waren er twee Belgische deeltjes, van K. Imbrechts, waar elke leraar of lerares Nieuwgrieks altijd heel hard van begon te gillen en als je ze een poosje gebruikte begreep je waarom: het meeste van wat je daarin vond bestond eenvoudigweg niet of kon beslist niet gebruikt worden op de manier waarop het werd aangeboden.

Uiteindelijk kwam er nog een zakwoordenboekje, van Nastos en Gavrilidis, dat wel handig en klein was maar niet opmerkelijk veel meer bood dan wat er al was.

HEEL DOM

Daar zat je dan met je denkbeeldige brieven vol levendig Nederlands. Alles diende via het Engels opgezocht te worden. En dus soms eerst via het Nederlands-Engelse woordenboek, dat het verheugende idiomatische ‘nincompoop’ gaf voor uilskuiken, maar dat woord vond je dan weer niet in het Engels-Nieuwgriekse woordenboek. Zodat je uiteindelijk maar gewoon ‘heel dom’ schreef, polí chazós, en je hele lol in je brief verdwenen was, want alles en alles werd grauw en suffig en je leerde eigenlijk niets. Behalve dat woordenboeken maken niet eenvoudig is.

Sinds kort zijn er toch twee woordenboeken die Grieken en Nederlanders die iets met elkaars taal te maken hebben werkelijk van dienst kunnen zijn: het Groot woordenboek Nieuwgrieks-Nederlands en Nederlands-Nieuwgrieks, beide samengesteld door de leerstoelgroep Nieuwgriekse taal- en letterkunde en Byzantinologie van de Universiteit van Amsterdam, onder leiding van aanvankelijk prof. dr. Arnold van Gemert, en na diens pensioen prof. dr. Marc Lauxtermann.

Zoals de voorbeelden hierboven al aangeven zijn er allerlei moeilijkheden bij het samenstellen van een verstandig woordenboek, en de auteurs hebben niet geprobeerd om het wiel opnieuw uit te vinden toen de Nederlandse Taalunie het aanbod deed om een woordenboek te laten samenstellen. Om redenen van technische aard moesten ze beginnen met het woordenboek Nederlands-Nieuwgrieks waarvoor ze gebruik konden maken van het zogenaamde RBN, het Referentiebestand Nederlands, een woordenlijst met een indeling per trefwoord. Een woord als het al genoemde uilskuiken heeft twee betekenissen: 1 uilenjong, 2 dom iemand. Bij 2 volgt ook een voorbeeldzin, zodat je weet hoe je van de mogelijkheden voor ‘dom iemand’ gebruik moet maken om iets te zeggen dat lijkt op, ‘jij uilskuiken’: ‘rè bóefo’.

PROBLEMEN

Verder wordt bij elk woord gegeven wat voor woord het is, bijvoorbeeld dat we hier met een onzijdig zelfstandig naamwoord te maken hebben, of in een ander geval met bijvoorbeeld een intransitief werkwoord.

Dat lijkt allemaal duidelijk en overzichtelijk, en tot op zeker hoogte is dat ook zo. Toch doen zich allerlei problemen voor. Een Nederlander die iets over Nederland wil vertellen of schrijven aan een Griek, of die een boek wil vertalen uit het Nederlands in het Grieks, wil woorden kunnen vinden als ‘fietsenstalling’, ‘soep met balletjes’ of het roemruchte ‘gezellig’. In het Griekse deel gaat niemand op zoek naar ‘sóepa me mikrá ballákia apó kimá’ – dat voorbeeld kon dus weg bij het samenstellen van het Griekse deel.

Er zijn ook typisch Griekse begrippen waar een lezer van een Griekse tekst wel graag vertalingen voor wil zien, zoals palikári, ‘een flinke vent’, of joevarlákia, ‘gehaktrijstballetjes met ei-citroensaus’. Die woorden werden uiteraard niet vanzelf gegenereerd door het Nederlands-Nieuwgriekse deel en moesten gevonden worden door gebruik te maken van bestaande Grieks-Griekse woordenboeken. Die weer uitvoeriger zijn (als het grote uitvoerige woordenboeken betreft, zoals bijvoorbeeld dat van Babiniótis, wat onder meer als uitgangsbestand werd genomen) dan voor een vreemde talenwoordenboek nodig of geschikt is, maar die weer niet steeds geschikt zijn als uitgangspunt als het om het vertalen in een andere taal gaat.

Neem bij voorbeeld het werkwoord ‘kóvo’ dat snijden, zagen, knippen, hakken en breken betekent, maar ook afsnijden, afknippen, afzagen enz. Een Griek moet uit het woordenboek kunnen opmaken of hij in het Nederlands moet zeggen dat de dokter iemands been heeft (af)gezaagd, (af)gehakt of geamputeerd. Een Grieks-Grieks woordenboek heeft dergelijke moeilijkheden niet op te lossen en voor de Nederlander die zulke dingen in het Grieks wil zeggen is het makkelijk genoeg: of je nu je haar knipt of een blaadje uit een schrift scheurt, je gebruikt gewoon kóvo.

Beiden, Griek en Nederlander, moeten dan weer leren dat ‘kopse to laimó sou’ - letterlijk: ‘snijd je keel door’ - in het Nederlands weergegeven wordt door ‘zoek het zelf maar uit’.

Dankzij dit woordenboek is dat voortaan geen probleem. Hoe gelukkig zijn degenen die nu van hun lerares brieven moeten schrijven. Zoek maar op: ‘dit is een grote sprong voorwaarts!”

Marietje Wennekendonk-Visser. Prisma groot woordenboek Nederlands-Nieuwgrieks. € En Nieuwgrieks-Nederlands, ook € .

    • Marjoleine de Vos