Mijn vader ging vaak op de vuist met mannen als Zuma

Jacob Zuma, die vandaag wordt geïnstalleerd als onze nieuwe president, neemt me mee terug naar het binnenland, naar mijn kinderjaren, toen de geur van je plas verried dat je op je hoede was.

Johannesburg (1954). Hoogleraar letterkunde aan de Universiteit van Kaapstad en schrijver. In Nederland verschenen van hem onder andere ‘De betoverde berg’, ‘De witte aap’ en ‘In plaats van de liefde’ (De Bezige Bij).

Ik kan mij niet herinneren dat er in mijn leven een tijd is geweest waarin het bestaan in Afrika voorspelbaar was.

Ik ben opgegroeid op een afgelegen boerderij, aan het einde van een zandweg, en op zaterdagavonden gingen mijn vader en moeder en ik naar cowboyfilms met John Wayne in het dorp. Het was met de auto een heel eind rijden.

Als we ’s avonds laat over het wagenspoor door het donkere veld terugreden naar de boerderij, kon het gebeuren dat er een donker, onbekend dier over de weg scharrelde. Eenmaal thuis moesten we eerst onder alle bedden kijken, en in alle hangkasten. Elektriciteit was er niet. De nacht moest wijken voor de lichtbundel van een enkele zaklantaarn. De reden voor dit alles was dat buren verder naar het noorden op een soortgelijke avond waren opgewacht en gedood. De vrouw was zo hard met stokken op haar hoofd geslagen dat haar ogen aan lange draden op haar borstkast hingen. Ik was erbij toen de brigadier van politie dit verhaal aan mijn ouders vertelde.

Als we zeker wisten dat zich geen aanvallers onder een bed of achter het rokkostuum van mijn vader in de hangkast hadden verstopt, gingen mijn vader en ik buiten onder de sterren urineren, terwijl mijn moeder de olielampen in huis aanstak. Hij wees me het Zuiderkruis, terwijl we daar clichématig onze geurspoor stonden af te geven, zei dat hij op regen hoopte en zuchtte over de onvoorspelbaarheid van Afrika.

Dit tafereel heeft zich diep in mijn ziel geprent en dringt zich aan mij op aan de vooravond van de inhuldiging van Jacob Zuma, de onvoorspelbare. Iets aan Zuma roept dit beeld uit een vervlogen tijdperk op. Zuma is geen Obama. Het platteland en de wereld van mannen – ze zitten hem gegoten als het luipaardvel om zijn schouders.

Ik herinner me dat mijn vader jaarlijks uitkeek naar de komst van de scheerders, Xhosamannen die tijdens het wolseizoen op zwarte fietsen met dikke banden uit de diepe dalen van de Transkei kwamen. Over stoffige zandwegen trapten ze heel wat kilometers weg als ze door de streek trokken en op afgelegen boerderij na afgelegen boerderij de merinoschapen schoren. Met hen had mijn vader een ongedwongen verhouding. Hij maakte graag grappen met ze, terwijl ze boven een ooi gebukt stonden die willoos op haar rug lag tussen hun gespreide benen. Er was wederzijds begrip. Nadat elke kaalgeschoren ooi weer op haar poten was gezet, pakten de scheerders een lootje – gewoonlijk een glad riviersteentje – en borgen het op in hun zak. Aan het einde van de dag kregen ze per lootje uitbetaald. Problemen waren er nooit.

Zuma is zo iemand uit de verste delen van het land. Als Zulu schaamt hij zich niet voor zijn Zulu-achtergrond. Ik waardeer het dat hij zijn afkomst niet verloochent en in ere houdt, maar gruw ervan wanneer hij met ontbloot bovenlijf voor de perscamera’s samen met dorpshoofden met dikke buiken bier drinkt uit een verfblik. Mijn vader zou het begrijpen; een grapje met hem maken, maar behoedzaam afstand houden.

Mijn vader ging dikwijls op de vuist met zijn boerenknechts. Dat gold voor heel veel boeren in onze omgeving. Er vloeide bloed. Soms was een knecht brutaal en gaven cannabis en heuningbier hem de moed tegen de eigenaar van de boerderij in opstand te komen. Geweld. Vuistslagen en bloed. Als kind keek ik tegen mijn vader op als een man die ons met zijn lichaam kon beschermen. Ik herinner me dit allemaal omdat Zuma zich graag bedient van strijdmetaforen. Op podia speelt hij graag met zijn lichaam. Hij danst. Hij is niet alleen een man van het land, maar ook van het lijf.

De dreiging die uitgaat van het lijf, het lichaam – die blijft je in Zuid-Afrika altijd bij. Aan de noodzaak van mijn vader om geweld te gebruiken verbind ik mijn eigen afkeer – walging – van geweld. En weet ik dat je in dit land in je achteruitkijkspiegel moeten blijven kijken. Op je hoede moet zijn; achterom moet kijken. Als mijn vrouw het huis verlaat, wacht ik op de veranda totdat ze in haar auto zit en wegrijdt. Kijk achter je, zijn altijd mijn laatste woorden aan haar. Ze is arts, ze draagt de zorg voor de lichamen van anderen en de ziel die erin huist.

Dagelijks hoort ze in haar praktijk verhalen over geweld. Je leven is evenveel waard als een mobieltje. Dat is niet eens meer een ontnuchterende gedachte; daar zijn we al voorbij: het is een feit.

Onlangs moest ik mijn vaders geweer bij het plaatselijke politiebureau inleveren om de loop te laten dichtlassen. Ik behoor het terug te krijgen, het is een verzamelobject. Een Bruno uit het voormalige Tsjecho-Slowakije. Het is subtiel uit hout gesneden. Maar het gaat er zo erg aan toe nu het openbaar bestuur ineenstort en op het politiebureau heerste zo’n chaos tijdens mijn bezoek – een soort trage, ongedwongen en onafwendbare, bijna existentiële, chaos – dat ik weet dat ik dat geweer nooit meer zal terugzien.

Een opluchting. Een afscheid. Tot ziens.

Ik leef nu ontwapend. Stellig de eerste generatie zonder wapen in mijn familietak op Afrikaanse bodem, sinds het midden van de zeventiende eeuw, toen de twee broers Van Heerden uit het Nederlandse dorp Heerde aan boord gingen van het schip de Popkansburgh en naar Kaap de Goede Hoop voeren. Waarschijnlijk hadden die eerste twee broers ook geen geweer. Maar hun zoons – die boer waren – zouden de wapens spoedig opnemen. Tegen de onverwacht scharrelende hyena of strandwolf op het wagenspoor, of wie weet wat er zoal in je koplampen trilt wanneer je van een John Wayne-film komt en op weg bent naar de boerderij.

En vergeet niet: Zuid-Afrika torst zijn geheugen mee; zo kort is een mensenleven en zo lang duurt het voordat bloed is geronnen. Mandela of Mbeki hebben nooit dergelijke herinneringen bij mij opgeroepen. Maar Zuma – hij neemt me mee terug naar het binnenland, naar mijn kinderjaren.

Ik weet niet door wat voor herinneringen Zuma wordt geplaagd, wat voor spoken er over zijn wegen gingen. Ik denk niet dat zijn moeder ooit heeft gezegd wat mijn moeder zei: „That John Wayne can park his boots under my bed anytime.”

Zuma moest in 1994 ook een geweer inleveren, onder dat wonder van menselijkheid, Nelson Mandela. Maar tegenwoordig zingt Zuma weer ‘Breng me mijn machinegeweer’. Het is een strijdlied in het Zulu, het lied waarmee hij al dansend bekend werd. Ik moet bekennen dat ik het een prachtig lied vind, ik houd van zijn dansbewegingen en vind hem sexy als in een B-film. Ik denk dat mijn vader grapjes met hem zou maken, hem voor zich zou innemen, maar behoedzaam op afstand zou houden. En hem waarschijnlijk nooit de rug zou toekeren.

Diezelfde Zuma is nu onze president. We zijn er nog niet klaar mee. Zuma is een buitenkansje voor cartoonisten en heeft een kort geding aangespannen tegen onder anderen de cartoonist Shapiro. De beweringen over Zuma’s achtergrond zijn bekend. Zijn avontuurtje met een jonge vrouw, die voor de rechter op eerdere beweringen terugkwam, is bekend. Het feit dat niemand weet wie de First Lady van ons land zal worden eveneens, Zuma is polygaam. Dat hij tijdens zijn verkiezingscampagne van alles aan iedereen heeft beloofd, is ook bekend.

Hij is op een fiets met dikke banden uit Zululand aan komen rijden, een schaapscheerder die ’s nachts moe arriveerde. Moe van de strijd van zijn volk om te overleven en te vechten voor hoop. Hij arriveerde ’s avonds laat bij een eenzame boerderij na dagenlang over stoffige boerenwegen te hebben gefietst. Op de boerderij was het donker. Er was niemand thuis. Hij wachtte, buiten het zicht en onder de wind, opdat de werfhonden hem niet zouden ruiken en verschrikt aan het blaffen zouden slaan.

Vanuit het donker keek hij ietwat verrast toe toen het gezinnetje in hun auto kwam aanrijden. Man en vrouw en het jongetje gingen met een zaklamp het huis in. Eenmaal binnen danste de lichtbundel van vertrek naar vertrek. Het duurde niet lang of overal gingen kaarsen en olielampen aan.

Terwijl het huis begon te gloeien in het warme licht, kwamen de boer en zijn zoontje naar buiten en zetten een paar stappen over het erf. Het jongetje aaide de koppen van de honden. De boer en zijn zoontje openden hun gulp en deden een plas. In de koude avondlucht sloeg de damp van hun urinestraal.

Omdat hij tegen de wind in stond, kon hij hun plas ruiken. Kon hij ruiken dat ze op hun hoede waren. Aan hun manier van staan – het jongetje imiteerde de houding van zijn vader – kon hij zien dat ze wisten dat ze mannen waren in een wereld van mannen. Hij merkte aan hun behoedzame gedrag dat ze oude angsten, oude mythen meetorsten. Hij kon ruiken dat ze niet wisten wat de toekomst brengen zou.

Hij besloot te wachten tot het ochtend werd alvorens het erf te naderen en met zijn werk te beginnen.

Uit het Afrikaans vertaald door Robert Dorsman.

    • Etienne van Heerden