'Loyaliteit is drie keer nee durven zeggen'

Het verlies van zijn zoon maakt hem ‘extra gedreven’. Commandant der strijdkrachten Peter van Uhm over ratio en emotie, de missie in Uruzgan en de Talibaan. ‘Soms spelen wij in de media een oneerlijke wedstrijd.’

Den Haag : 17.4.2008 Commando-overdracht van Berlijn naar Uhm. © foto Roel Rozenburg

Eerst zie je zijn ogen, dan pas de sterren op zijn schouders. In zijn donkergroene landmachtuniform met tressen en decoraties zit generaal Peter van Uhm in de kleine zithoek van zijn werkkamer op het ministerie van Defensie, aan het Plein in Den Haag. „Mensen kijken vaak tegen uniformen op”, zegt hij. „Uniformen zijn gemaakt om indruk te maken, zo simpel is dat. Het is onze buitenkant. Maar wij zijn gewoon hele normale mensen.” Van Uhm spreekt die laatste woorden met nadruk uit, alsof hij al zijn overtuigingskracht nodig heeft.

Iets meer dan een jaar geleden kreeg Van Uhm (53), een dag na zijn aantreden als bevelhebber van de Nederlandse krijgsmacht, te horen dat zijn zoon, pelotonscommandant Dennis van Uhm (23), in Afghanistan was omgekomen door een bermbom. Voor iedereen was op dat moment duidelijk dat de commandant der strijdkrachten (CDS) ook een mens van vlees en bloed is. Dat er in dat uniform een man steekt die ook emoties heeft, als vader, als echtgenoot, als nabestaande. Vier dagen later verklaarde Van Uhm tegenover de pers dat hij vastbesloten was zijn werk voort te zetten. „Mijn zoon zou niet gewild hebben dat ik bij de pakken neer ga zitten.”

De generaal sprak in zijn „dubbelrol als vader en commandant der strijdkrachten”. Hij was tegelijk aangedaan en zelfverzekerd, kwetsbaar en de baas. Dat maakte indruk, veel meer dan welk uniform dan ook.

Een jaar later spreken we Van Uhm in zijn sober ingerichte werkkamer. „Alles is precies zoals mijn voorganger Dick Berlijn het hier heeft achtergelaten. Ik vind het zonde om Defensiegeld, belastinggeld, te besteden aan een nieuw bureau of andere onzin. Het enige dat ik heb ingebracht zijn twee klokken, één hier en één in de vergaderzaal: ik vind het onbeleefd om tijdens een gesprek op mijn horloge te kijken.”

Terugkijkend op zijn eerste jaar in functie vertelt Van Uhm wat het verlies van zijn zoon betekende voor zijn werk. Daarnaast spreekt hij met trots over de resultaten die de Nederlandse missie in Uruzgan boekt, en over de erkenning daarvoor in het buitenland. Hij voorspelt dat de gevechten in Afghanistan deze zomer zullen oplaaien. En als hij zich beklaagt dat hij een ongelijke strijd moet voeren, dan heeft hij het niet over de Talibaan maar over de Nederlandse media.

Na de dood van uw zoon zei u: ik ga ervan uit dat mijn collega’s op het ministerie me aan mijn mouw trekken als ze denken dat mijn beslissingen te veel bepaald worden door mijn emoties. Hoe vaak is dat gebeurd?

„Eigenlijk is dat nooit gebeurd, omdat ik voortdurend geprobeerd heb ze voor te zijn. Als ik ook maar het idee had dat mijn emoties een goed besluit in de weg konden staan, dan zei ik tegen de mensen hier: dit zou ik willen besluiten, vertel me maar of ik gek ben, of ik een verkeerde beslissing neem.

„Er zijn natuurlijk wél mensen hier die af en toe zeggen: let je ook nog op jezelf?” Van Uhm praat op rustige, beheerste toon over deze ingrijpende periode in zijn leven, hoogstens schept hij af en toe wat extra afstand door over zichzelf te spreken in de derde persoon. „Er was een extra reden om een CDS zo nu en dan te vragen of het wel goed met hem ging.”

Dat deed ook minister Van Middelkoop, vertelt Van Uhm. „Gewoon pure, menselijke interesse. Laatst was het een jaar geleden. Een week daarna vraagt de minister dan: Hoe was het? Gaat het goed? Hoe kijken jullie erop terug?”

Wat antwoordde u?

„Nou, dat zijn hele moeilijke momenten. Dit gaat je niet in je kouwe kleren zitten, mijn gezin niet, mij niet... Je leven staat op z’n kop. En na een jaar heb je dan weer een heel speciaal moment. Het weekend daarna blijven de tassen met stukken gewoon komen, maar dan heb ik moeite me erop te concentreren. Dan ben je met je kop toch ergens anders. Ik moet hier dan wat harder zeggen: jongens, kijk nog even goed naar wat ik heb opgeschreven. Iedereen begrijpt dat.

„En dan zijn ze ook niks te beroerd om tegen me te zeggen: daar zou ik nog ’ns over nadenken. Want mijn stelregel is altijd geweest: loyaliteit is drie keer ‘nee’ durven zeggen. Tegen je baas durven zeggen dat je het niet met hem eens bent. Ik kan het niet alleen af.”

De dood van uw zoon, zo vlak na uw benoeming, was een bizarre samenloop...

„Ja...”

... maar hoe hard het ook klinkt: is leven en dood niet de core business van het militaire bestaan?

„Nee, dat gaat mij iets te kort door de bocht. Alle militairen weten dat zij in een specifiek beroep zitten, met bepaalde risico’s. Je kunt voor situaties komen te staan waarin je besluit over leven of dood. Dat geldt voor iedere militair, voor mijn soldaat, mijn onderofficier, mijn officier.

„Maar dat is wezenlijk wat anders dan accepteren dat je dood gaat. Ik probeer het mensen vaak uit te leggen door te vragen: neem jij deel aan het verkeer? En weet je hoeveel verkeersslachtoffers er ieder jaar zijn? Ga je dan in een stil hoekje zitten?”

U heeft zich openhartig en kwetsbaar opgesteld, onder meer door te vertellen dat u net als anderen professionele hulp krijgt. Doet zo’n opstelling geen afbreuk aan het gezag van een militair commandant?

„Ik ben gewoon mezelf. Dat ben ik al mijn hele leven lang. Ik had het niet op een andere manier kunnen doen. Ik geloof niet dat het ten nadele van mijn functioneren is geweest.”

En wordt er niet raar tegen aangekeken in landen waar militaire leiders bijvoorkeur ijzervreters zijn, die niets van hun gevoelens laten merken, in Afghanistan of de VS?

„Nee hoor, daar heb ik nooit iets over gehoord. En mijn buitenlandse collega’s weten echt wat mijn gezin is overkomen. Ze reageren daar bijna hartverwarmend op. Dan hoor je dat één van mijn collega’s tien jaar geleden ook zijn zoon verloren heeft – bij een verkeersongeluk, maar dat maakt het verdriet niet minder of groter. Dan sta je daar van mens tot mens over te praten.

„Als je maar besluiten neemt op basis van de ratio. Emotionele aspecten mogen daar overigens best een rol in spelen. Of moet ik mijn bevlogenheid soms ook aan de kant zetten? Word ik daardoor een betere commandant? Ik geloof er helemaal niks van.

„Waar het bij ons uiteindelijk om gaat, is dat de mensen die jou zijn toevertrouwd – met een beetje vervelend woord je ondergeschikten – het uiteindelijk doen voor hun baas. Omdat ze vertrouwen hebben in die baas en omdat die baas hun vertrouwen geeft. En dan mag je best een mens zijn.”

Wat heeft het afgelopen jaar de missie in Uruzgan opgeleverd?

„De vooruitgang is gigantisch. Vorige maand ben ik er met de kroonprins heen gegaan. Hij was er twee jaar niet geweest en keek zijn ogen uit. Als je ziet hoe het Afghaanse leger vooruitgaat – twee jaar geleden had het ANA (Afghan National Army, red.) nog helemaal geen kamp in Uruzgan, nu zit er een hele brigade. Er is nu ook een opleidingscentrum voor de politie, dat staat er toch maar binnen een paar maanden.

„In Tarin Kowt is een coördinatiecentrum gekomen waarin alle civiele instanties met elkaar overleggen. Als je ziet hoe zij hebben gezorgd voor de kiezersregistratie, met het oog op verkiezingen in augustus, dat is gewoon prima. De politie zorgde voor de veiligheid, zonodig zou het leger bijspringen, en als het dán nog nodig was zouden onze ISAF-troepen pas helpen. Maar het was niet nodig. Ze hebben het zelf geregeld.

„En op ontwikkelingsgebied zijn de veranderingen zo gigantisch. Dezer dagen wordt in Tarin Kowt het kantoor van de Verenigde Naties officieel geopend – maar het werkt al een tijdje. En kijk eens naar de volksgezondheid: eindelijk kan het gros van de bevolking een gezondheidscentrum bereiken.”

En wat heeft de missie Nederland opgeleverd?

„Wij geven daar invulling aan wat Nederland als morele plicht op zich heeft genomen. Wij zijn een van de weinige landen in de wereld die in de grondwet hebben staan dat we willen bijdragen aan het handhaven van de internationale rechtsorde. Dat zien wij blijkbaar als ethische en politieke verplichting. Daarmee geven wij aan wat wij als Nederland willen betekenen in de wereld. Verder is iedereen in Nederland vergeten wat er op 9/11 is gebeurd, en in Madrid en in Londen.”

Denkt u dat echt?

„Men is niet dagelijks bezig met de dreiging van een nieuwe terroristische aanslag. We willen niet aan al die sombere dingen denken. Maar een deel van het terrorisme heeft wel te maken met wat er in die regio gebeurt. Dat gaat dus ook ons aan. Nederland kan nu meepraten als hierover in de internationale arena gesproken wordt.”

Drie jaar zijn uw militairen al actief in Uruzgan, maar nog steeds slagen de Talibaan erin van heel dichtbij raketten af te vuren op Kamp Holland. Hoe kun je dan zeggen dat de missie effectief is?

Van Uhm staat op en haalt uit een dressoir wat papieren tevoorschijn. „Kijk”, zegt hij terwijl hij een donkere foto met een fel oplichtende horizon ophoudt. „Tarin Kowt by night. In 2006 was het er na zonsondergang hartstikke donker.” En dan met een lach: „Dit is toch Den Haag! Parijs! Licht betekent bedrijvigheid, sociaal leven en veiligheid. Er zijn heel veel mensen in Tarin Kowt komen wonen, en niet omdat het er zo slecht is. Ze denken dat ze er een bestaan kunnen opbouwen. We hebben echt veel veiligheid gebracht.”

Dan toont Van Uhm een kaart van de provincie, waarop de gebieden die de militairen onder controle hebben met gekleurde cirkels zijn aangegeven. „Als binnen die cirkels iemand rondloopt in Afghaanse kledij kan ik niet zien van welke gezindte hij is. Honderd procent veiligheid bieden kunnen we nooit. Een raket past prima in een rugzak, en terwijl je je geiten aan het hoeden bent leg je die raket met een timer eraan op een steen en je loopt gewoon door... Tsja, zoiets kan je zelfs in Nederland uithalen.”

In Afghanistan hebben de Amerikanen en de NAVO voor een nieuwe strategie gekozen. Wat betekent dat voor de militairen in Uruzgan?

„Er komen meer Amerikaanse militairen, maar ook meer ontwikkelingswerkers en dus ook meer geld naar het zuiden van Afghanistan. Dat is goed. Laten we niet vergeten dat de Amerikanen de grootste sponsor van ontwikkelingswerk in Afghanistan zijn.

„In Uruzgan komt een Amerikaans helikopterdetachement. Dat zal een positief effect hebben.

„Doordat er meer Amerikanen komen, kunnen we meer gebieden permanent bezetten. En daar gaat het om. De Amerikanen gaan zich ook meer richten op de bevolking, wat wij al een hele tijd doen.

„Maar onze tegenstanders vinden dat niet leuk en zullen reageren. Daarom moeten we in eerste instantie rekenen op meer gevechten, meer bermbommen, meer zelfmoordaanslagen. Maar je moet in de gaten houden waarom het gebeurt: omdat we de vijand meer dwarszitten.”

Hoe bestendig kan de vooruitgang zijn in Uruzgan en andere delen van het land, als de chaos in buurland Pakistan steeds groter wordt?

„Ik vind niet dat de situatie in Pakistan bergafwaarts gaat. Alleen omdat jullie het nu opeens melden in de krant?”

Drie maanden geleden waren de Talibaan nog niet met instemming van de Pakistaanse regering aan de macht in de Swat-vallei. Nu wel.

„Dat gebied is al jaren heel moeilijk te beheersen. De Talibaan hebben zich dicht bij de Swat-vallei, in het district Buner, nu even nadrukkelijk gemanifesteerd. Maar we moeten nog zien hoe lang ze het daar kunnen volhouden. Ik zal niet zeggen dat het allemaal gloria en halleluja is, en we moeten het niet mooier maken dan het is, maar we moeten wel met een reële blik naar Pakistan kijken.”

Toch lijkt het alsof het Westen in Afghanistan de brand aan het blussen is, terwijl de fik in Pakistan juist oplaait.

„Nee. Maar de wereld erkent nu dat er op zijn minst rook is in Pakistan. En daar hebben we gewoon heel lang niet naar gekeken met z’n allen.”

In sommige landen staan militaire missies sterk in het teken van vaderlandsliefde. Speelt deze drijfveer een rol voor uw militairen?

„Laat ik bij mijzelf beginnen: ik ben wel trots dat ik een Nederlander ben. En ik denk dat een heleboel Nederlanders dat ook zijn. Alleen zijn de Nederlanders geen volk dat met de borst vooruit loopt. Ja, in het voetbalstadion bij de Europa Cup, maar daarna is het weer snel afgelopen. Wij zijn geen land dat loopt te snoeven. Wij zijn nuchtere mensen. Maar ik kan je verzekeren dat als het Wilhelmus wordt gespeeld waar militairen bij zijn, dan hebben ze daar allemaal goede gevoelens bij. Alleen uiten militairen die niet.”

Met wat voor motieven melden jongeren zich aan bij de krijgsmacht?

„Ze zien wat militair zijn inhoudt, namelijk een actieve baan, met collega’s. Groepsbinding: dat is wat ze allemaal zoeken. En een hele hoop mensen zoeken ook wel de avontuurlijke kant. Heel veel van mijn militairen zijn geen schoolkinderen, ze hebben met de hakken over de sloot hun school afgemaakt, of helemaal niet. Maar het zijn fantastische militairen. Zij werken aan de toekomst van anderen en aan hun eigen toekomst.”

En terwijl deze mensen zich in Afghanistan inzetten voor het vaderland, zit het vaderland hier op terrassen op het Plein rosé te drinken.

„De militairen worden breed gesteund door de maatschappij. Maar steun voor de militairen is niet hetzelfde als steun voor de missie. Dat laatste is een politieke kwestie. Daarom moeten we de maatschappij voortdurend laten zien wat het nut van de missie is, en waarom ze noodzakelijk is.

„Daarvoor heb ik alleen wel een podium nodig, om het succes van de missie te kunnen etaleren. En dat podium dat zijn de media.

„Maar soms moeten wij in de media een oneerlijke wedstrijd spelen. Laat ik een voorbeeld geven: mijn commando’s komen in 2007 terecht in een knokpartij in Oostenrijk, in een kroeg. De kranten stonden er vol van. Onlangs zijn ze vrijgesproken, en misschien staat dat dan in een enkele krant op pagina 25. Ik voer in die zin een oneerlijk gevecht.

„Ook met de missie in Uruzgan is het heel erg moeilijk. De positieve kant van de missie wordt onderbelicht. De negatieve kanten worden uitvergroot.”

Uit peilingen van Defensie zelf blijkt dat slechts 29 procent van de ondervraagden voorstander is van de missie in Uruzgan. Zou dat alleen te wijten zijn aan de berichtgeving?

„Voor een groot deel wel.”

Maar ligt de oorzaak niet dieper? Uit hetzelfde onderzoek blijkt dat 52 procent zegt „weinig” of „tamelijk weinig” belangstelling te hebben voor de missie in Uruzgan. Het kan ze gewoon niets schelen.

„Ja, dat is lastig. Ik sprak net twee ouders van wie de zoon in Tarin Kowt zit. Ze zeiden: de buren interesseerden zich nooit voor Afghanistan. Maar omdat de buurjongen er nu zit volgen ze alles.

„De gemiddelde Nederlander leeft in de gelukkige omstandigheid dat zijn wiegje hier heeft gestaan. Ik vind het begrijpelijk dat hij niet steeds geconfronteerd wil worden met de problemen van de wereld.”

Heeft de dagelijkse gang naar uw werk u het afgelopen jaar geholpen?

Van Uhm schuift naar het puntje van zijn stoel en leunt naar voren. Zacht zegt hij: „Ja. Zeker. Al ben ik natuurlijk zo bevooroordeeld als de pest. Ik ben nu extra gedreven om dit werk goed te doen. Ik heb houvast aan mijn werk, mijn dagelijkse ritme. Wij krijgen tientallen kaarten, nog steeds. Ook van mensen die ik niet ken.

„Als ’s nachts mijn telefoon gaat, schiet er van alles door mijn hoofd. Maar daarna moet ik snel weer rationeel worden, want er moeten zaken gedaan worden. Laat ik het zo zeggen: de generaal Van Uhm kan dat hebben.”

Hij staat op. „Voor ik het vergeet”, zegt hij, terwijl hij een print van een krantenartikel pakt. „Dit is puur toevallig, maar gisteren kreeg ik een steengoed artikel uit de Neue Zürcher Zeitung, over de Nederlanders in Afghanistan. Lees het eens als je je verveelt.”

Het stuk, van 16 april, noemt de operatie in Uruzgan „het enige lichtpuntje in Zuid-Afghanistan”. Amerikaanse militairen zouden naar Tarin Kowt komen om zich op de hoogte te stellen van het „Geheimrezept der Niederländer”.

Is de erkenning in het buitenland groter dan in Nederland?

„Ik denk dat men begint te beseffen dat onze aanpak in Uruzgan de juiste is. Natuurlijk is dat belangrijk. Jij wilt toch ook erkenning krijgen voor je werk? Wij zijn gewone mensen. Dat men nu zegt dat de Nederlanders het goed doen is een tribute to my soldiers.”

In de kale kamer trekt alleen een kleine uitstalling in de vensterbank de aandacht. Een zwart armbandje met een inscriptie: ‘Lieutenant Dennis van Uhm, KIA (Killed in Action, red.) 18 april 2008’. Heel zacht zegt generaal Van Uhm: „Gekregen van een Amerikaan die ik absoluut niet ken. Hij hoorde het verhaal, en stuurde mij dit toe. Het is een Amerikaanse traditie: als iemand binnen een eenheid is overleden, wordt zo’n bandje gemaakt.”

Op dezelfde vensterbank liggen op een standaard twee sabels. Het gekromde metaal glimt in de zon.

„Ik zal het maar vertellen. Dit is de officierssabel die ik kreeg toen ik als jonge militair de KMA afsloot (Koninklijke Militaire Academie, red.) De tweede sabel kreeg ik bij mijn afscheid als bataljonscommandant van het personeel van het bataljon.

„Op de KMA bestaat die traditie niet meer. Maar toen mijn zoon luitenant werd ben ik met die eerste sabel naar de lokale juwelier gegaan. Hij heeft de naam van mijn zoon erin gegraveerd, naast de mijne.

„Ik gaf het mijn zoon en zei: ‘Hiermee is een traditie geboren’. Dat is de vader-zoon-relatie, dat is Van Uhm-humor. En zoon keek pa aan en lachte wat.

„Die sabel heb ik terug. Dat was niet de bedoeling.”