Jungle-dokter en in Colombia

Dokter Hermans werkte een half jaar als tropenarts in de binnenlanden van Colombia. ‘Waarom in godsnaam komen wij helemaal uit Europa om dit werk te doen?’

‘Por fa, Anna”, roept Paula, „lees ons nog eens een stuk voor uit je veiligheids- en evacuatieplan?” We zitten in restaurant la Bifteria in de hippe ‘zona rosa’ van Bogotá, een wijk die me met haar bars, clubs en designwinkels nog het meest doet denken aan Soho in New York. Paula schenkt tevreden iedereen nog een glaasje merlot in en de hele tafel draait zich in mijn richting. Met enige tegenzin (wil ik me wel als clown laten gebruiken voor dit stel rijke Bogotarianen?) trek ik het plan uit mijn tas. ‘Bij een aanval op het Dokters van de Wereld-huis dienen alle teamleden zich te verschuilen in kamer drie, waar het noodrantsoen zich bevindt’, begin ik te lezen. ‘Elk bed heeft twee matrassen: één ter versteviging van het plafond in geval van bombardement, de rest van het bed dient om de deur mee te barricaderen…’

„Dios mio!”, roept Paula, „alsof de terroristen van de FARC daarvan onder de indruk zijn.”

„Wij zijn neutraal”, sputter ik tegen. „Niemand valt ons aan. Volgens het Verdrag van Genève…”

„Genève, pff…”, valt de tandarts aan tafel mij in de reden, „die aanslag in 2003, waarbij mijn zus haar been kwijtraakte, mocht vast ook niet volgens dat Zwitserse verdrag.”

„Blij dat president Uribe keihard tegen de guerilla optreedt”, stemt mijn buurman in, „daardoor is het hier eindelijk enigszins leefbaar.”

Enigszins leefbaar... Peinzend herkauw ik zijn woorden in mijn Argentijnse biefstuk. Ik had verwacht dat ik, als arts voor de organisatie Dokters van de Wereld (Médecins du Monde), rechtstreeks de jungle zou ingaan, maar een eerste week in Bogotá bleek nodig om al het papierwerk in orde te maken. En sinds ik in het vliegtuig met architecte Paula aan de praat raakte, sleept ze me met haar vriendenclub al dagen ‘hun’ Bogotá door. Het lijkt een soort paradijs, op 2600 meter hoogte, comfortabel tussen twee bergkammen gelegen: autoloze zondagen, gesubsidieerde musea, koloniale kerken en perfect onderhouden theaters. Een stad, waar ik ’s ochtends koffie drink met uitzicht op de bergen en daarna een rondje hardloop in smetteloze parkjes.

Het is bijna niet voor te stellen dat ik morgen in het vliegtuig stap en na drie kwartier zal landen in de jungleprovincie Choco. De burgers in dit gebied – indianen en Afro-Colombianen – wonen zo afgelegen dat medische hulp voor hen onbereikbaar is. Daarom gaat Dokters van de Wereld elke week met een bootje op ‘brigade’ naar één van de gemeenschappen – voor consulten, zwangerschapscontroles, vaccinaties en om voorlichting te geven over anticonceptie, hygiëne en voeding. De afgelopen dagen ben ik me steeds meer gaan afvragen, waarom wij in godsnaam helemaal uit Europa moeten komen om dit werk te doen: als de regering parkjes en theaters kan aanleggen, kan ze toch ook best een ziekenhuisje daar bouwen?

Aan tafel in la Bifteria is inmiddels een levendige discussie aan de gang over de voorstelling, gisteren, in het ‘Teatro Nacional’. Als ik het gesprek onderbreek en mijn tafelgenoten vraag of ze de provincie Choco kennen, wordt het pijnlijk stil.

„Donde los negritos?” (Waar de zwartjes wonen?)

Mijn buurman rilt. „Nee, nooit geweest… Arm, warm, nat en vol met FARC. Jij ook een cognacje bij je koffie?”

‘Pabloooooooooww!”, klinkt het plotseling in paniek. Ik schrik op uit mijn slaap als we met een klap tegen een omgevallen boom in de rivier slaan. Patachuma, de indiaanse verpleegkundige die op de voorplecht van de boot staat om af te duwen, heft zijn stok, aarzelt even en duikt dan ineen. Ik kijk om en zie dat Pablo, onze stuurman, in het water ligt. Dan rammen we de kant en beginnen te zinken.

„Eruit, eruit!” Roberto, mijn collega-arts, spartelt al achter de wegdrijvende medicijntonnen aan. Patachuma duwt de satelliettelefoon in mijn handen. „Klim op de kant, maar kijk uit voor slangen.” Met moeite klauter ik door de modder omhoog en bel het nummer van ons hoofdkantoor.

Ik heb inmiddels mijn eerste weekend achter de rug in het Dokters van de Wereld-huis in een dorp op palen in de jungle. Ik woon er samen met mijn Colombiaanse team: Pablo, stuurman en zelfbenoemd intellectueel; Roberto, mede-arts uit Medellin; en verpleegkundige Patachuma (indiaans voor ‘gekookte banaan’, zo genoemd omdat hij daarvan – ondanks zijn lengte van 1.43 – een kilo op schijnt te kunnen).

In het dorp waar we wonen, is niks en toch alles wat je nodig hebt: zeep, vis, rijst, kip en gekookte banaan. Maar het belangrijkste: er is rum en – als er benzine is voor de generator – heel harde salsamuziek. In ons dorp wonen allerlei mensen die uit hun gemeenschappen zijn gevlucht voor één van de gewapende groepen in dit gebied. Bijna iedereen heeft familieleden verloren. Meer nog dan in Bogotá wordt er gefluisterd over politiek en op elke steiger staat een soldaat van 17 jaar, van wie je hoopt dat hij begrijpt hoe hij zijn geweer, dat half zo groot is als hijzelf, níet moet laten afgaan.

Vanochtend om zes uur zijn we in onze panga, een halve houten banaanboot volgestouwd met plastic stoeltjes, matrassen en medicijnen, op pad gegaan naar een afgelegen indianendorpje. En nu, nog geen twee uur later, beleef ik mijn eerste ‘schipbreuk’.

Terwijl ik nog steeds onhandig in het drijfzand sta om te vallen, lossen mijn teamgenoten het ongeluk verrassend snel op. Binnen een half uur hebben ze de boot met hun laarzen leeg gehoosd en de bagage weer in de panga geheveld voor de laatste kilometers.

Tegen de middag komen er eindelijk wat houten hutjes (tambo’s) in beeld. Een horde kinderen rent naar de rivier en begint joelend de boot uit te laden. Dorpsoudsten en teamleden schudden handen en kloppen op schouders. Binnen een half uur is de inhoud van de medicijntonnen op een tafel uitgestald (de apotheek), liggen er twee matrassen op de grond (de spreekkamers), hangt er een soort slagersweegschaal aan een balk en staat er een lange rij.

Patachuma doet een poging de ‘echte’ zieken te selecteren (niemand wil de kans missen eindelijk eens een dokter te zien) en maakt een lijst ‘zwangeren’ en kinderen onder de vijf (die worden gewogen en gemeten). Roberto geeft me intussen een snelcursus Colombiaans bush-dokteren: „Gemeenschap van driehonderd mensen, de helft komt op consult. We hebben twee dagen, dus drie minuten per consult. Iedereen heeft parasieten. Alle kinderen hebben griep of verkoudheid, meestal een virus. Omdat we overmorgen weer weg zijn en er verder geen controle is, zijn we soepel met antibiotica uitdelen.”

Ik staar naar buiten. Terwijl kindjes elkaar nat spetteren in de rivier houdt een groep vrouwen, beschilderd en met kettingen behangen, een voetbaltoernooi in het midden van het dorp. Een stel oude mannetjes moedigt hen aan vanaf de kant. Ik zit gefascineerd naar een sliding te staren als mijn eerste patiënt, een gespierde indiaan in ware peniskoker, ongeduldig op mijn arm begint te tikken.

„Ibuprofen, amoxicilline.” Hij houdt zijn hand op. Ik vraag wat zijn klachten zijn, maar hij herhaalt: „Ibuprofen, amoxicilline.”

Patachuma schiet in de lach: „Ze spreken hier geen Spaans, alleen Emberra. Ik vertaal wel voor je. Ga met deze man niet in discussie, doctora.” Hij overhandigt de peniskoker twee medicijnstrips. „Hij is stamhoofd, dus we moeten hem te vriend houden.”

Opeens moet ik denken aan de ‘onontdekte’ indianengemeenschap in Brazilië, die ooit op de voorpagina van NRC Handelsblad stond, hun pijlen gericht op overvliegende vliegtuigen. Waar zijn we hier eigenlijk mee bezig? Deze indianen spreken niet eens Spaans, maar de woorden ibuprofen en amoxicilline zijn, dankzij Dokters van de Wereld, alom bekend. Wat heeft het voor zin een gemeenschap die al duizenden jaren zo leeft ongevraagd te medicaliseren?

Mijn volgende patiënte is „ongeveer 18”, vertaalt Patachuma, „en heeft vier kinderen”. Ze zien bleek, en hebben huiduitslag die aan vitaminetekort doet denken. „Moe, lusteloos, diarree – al maanden”, vertelt moeder. Ik vul hun gewicht in, de curve is een horizontale lijn. „Wat krijgen ze te eten?”

„Patachuma – daar worden ze sterk van”, zegt moeder. „Zeker”, beaam ik. „En wat nog meer?” Moeder denkt even na: „Vis?”

„En?” Moeder zwijgt. „Er is hier niets anders”, licht Patachuma toe.

Roberto komt erbij staan: „Deze jungle is een conflictgebied, waarin elke gewapende groep een eigen territorium heeft. Deze gemeenschappen worden door de ene groep afgeperst, door de volgende verplaatst voor de bouw van plantages, en door de derde weer beschuldigd van collaboratie met de eerste, hoe hard ze zelf ook roepen dat ze ‘eilandjes van vrede’ zijn.” Hij wijst naar een gehavend bord: ‘Vredesgemeenschap, verboden voor gewapende groepen, beschermd door de internationale verklaring van de rechten van de mens.’

„Na drie gedwongen verplaatsingen heeft deze gemeenschap nog twee koeien, zes kippen en één limoenboom”, voegt Patachuma toe.

„En elke vrouw krijgt vier kinderen?”

„Meestal acht, van wie er gemiddeld twee doodgaan: complicaties bij de bevalling, malaria, longontsteking, ondervoeding, diarree… De levensverwachting is hier sowieso veertig.”

Ik werp nog een blik op de spelende kindjes. Wat ooit hun veilige jungle was, is nu door geweld verscheurd. Zijn we daardoor niet medeverantwoordelijk voor hun gezondheid?

„Maar wat heeft het voor zin kinderen te wegen”, vraag ik Roberto, „als we niks aan de oorzaak van hun ondervoeding doen?”

„Voedselsuppletie, daaraan wordt door andere organisaties gewerkt”, zegt Roberto. „Al is er te weinig geld om de pakketten hier te brengen. Wij rapporteren de mate van ondervoeding in de hoop dat dit leidt tot meer voedselhulp.”

Goed, denk ik, wij zijn medeverantwoordelijk. Maar wie zijn ‘wij’ eigenlijk? „Waarom zorgt de regering van Colombia zelf niet gewoon voor haar burgers?”, vraag ik Roberto. Hij lacht: „Een regeringsbootje met artsen kan hier toch niet zo maar komen rondtoeren? Zij zijn deel van het conflict, dus…”

„Maar laten we ons dan eerst eens op dat conflict richten.”

„Denk toch na! Wij worden als medische organisatie alleen door alle gewapende troepen gedoogd, omdat we neutraal zijn. Gelukkig zijn er genoeg mensenrechtenorganisaties die daar wél rapporten over schrijven.”

„Die niemand leest”, mompelt Patachuma. Hij tikt me aan en knikt naar de eindeloze rij: „Doorwerken, doctora. Nog vijftig patiënten te gaan vandaag en het wordt al bijna donker.”

Die nacht droom ik onrustige dromen; peniskokers en uitgemergelde kindjes achtervolgen me en schreeuwen om het hardst ‘bi poea’ (buikpijn), ‘kri poea’ (rugpijn) en ‘boro poea’ (hoofdpijn) in mijn oren. Als ik mijn blaas niet langer kan negeren, kruip ik met een zucht onder mijn muskietennet vandaan, krijg mijn laarzen niet aan, dus grijp naar de maat 42 van Roberto. „Niet hurken hoor”, klinkt het slaperig naast me, „er zitten slangen in het gras.”

Ik sluip de tambo uit, stap behoedzaam door de bosjes. Akkoord, we kunnen niet doen alsof we deze indianen nooit hebben ontdekt. Maar als amateur-sinterklaasjes ibuprofen, antibiotica en vitamines rondstrooien lijkt me niet de manier om ons schuldgevoel af te kopen.

Wat dan wel? Nog een half jaar om daar achter te komen, besluit ik, terwijl ik spastisch trillend over Roberto’s laarzen heen plas.

De laatste week voor mijn vertrek is die vraag nog steeds onbeantwoord. Ik voel me inmiddels meer dan thuis in de jungle. Maar als ik over structurele oplossingen nadenk, raak ik vooral in de war. Mijn teamgenoten moeten lachen om dat gepieker. „Je doet wat je kan. En verder moet je gewoon genieten. Voor hetzelfde geld ben je morgen dood.”

Zaterdagochtend om zes uur ga ik vissen met Patachuma, waarna Pablo de vangst klaarmaakt voor de lunch. ’s Avonds gaat de generator aan en dansen en drinken we tot diep in de nacht. Zondag stouwen we onze rugzakken vol met medicijnen voor mijn laatste loopbrigade, terwijl de buurvrouw een Guagua (cavia in Rotweilerformaat) roostert en lunchpakketjes maakt in bananenbladeren. Maandagochtend vroeg rent Patachuma voor ons uit de jungle in: „Ruim acht uur lopen, dus: vamos!” Hij hakt met zijn kapmes de dichte bebossing weg, wijst ons de beste manier om door de rivieren te waden en zingt hardop zijn favoriete Emberra-strijdlied. Ik vertel Roberto dat dit soort brigades voor mij net betaalde scoutingvakanties zijn als Pablo zich plotseling tegen een boom drukt. „Shhht! Vliegtuigen!”

„Als ze bombarderen, gaat die boom je echt niet beschermen”, mompelt Patachuma.

„Verstop je! Als ze ons zien, denken ze dat we guerrilla’s zijn”, werpt Pablo tegen.

„Het leger wéét dat we hier lopen”, fluister ik, lichtelijk in paniek nu, vanachter mijn rotsblok, „dat geeft onze coördinator toch elke week door?”

„Het leger is deze week op vakantie”, zegt Patachuma, als de vliegtuigen zijn overgevlogen. Hij pakt zijn rugzak op en hervat huppelend zijn strijdlied.

Na een serie lange vergaderingen hebben we de opzet van onze brigades wat aangepast. Direct na aankomst houden we nu eerst een voorlichtingsbijeenkomst voor de hele gemeenschap. Roberto benadrukt hierin nog eens dat Dokters van de Wereld neutraal is, uit Europa komt en niets met het conflict te maken heeft. Een indiaan in een versleten joggingbroek steekt zijn vinger op: „Ligt Europa naast Bogotá?”

Vervolgens legt Patachuma de criteria van ‘ziek zijn’ uit: alleen bij koorts, bloed plassen, benauwdheid, of meer dan drie keer per dag diarree of overgeven heeft een consult zin.

Tot slot kondig ik een workshop over hygiëne en voeding aan voor vanmiddag, en eentje over anticonceptie voor morgenochtend. Pas als ik beloof dat de deelnemers daarnaast een practicum ‘hechten op bananen’ krijgen, gaan er enthousiaste stemmen op.

Met moeite is het ons gelukt het aantal consulten per gemeenschap van 150 naar 100 terug te brengen. Het lijkt een kwestie van geven en nemen: zij willen consulten, medicijnen en leren hechten, wij willen over voeding, hygiëne en anticonceptie praten. „Je hebt pas draagvlak voor je voorlichting als je hun vertrouwen hebt gewonnen”, verklaart Roberto. En dat is gelukt!, concludeer ik, als ik die middag met veertig enthousiaste indianen over het nut van ‘water koken’ discussieer. Dit is het moment om door te pakken! Al besef ik dat we nog een lange weg te gaan hebben, als het de volgende dag over anticonceptie gaat. Een groep mannen begint direct te schreeuwen: „Waarom gunt Medicos del Mundo ons geen kinderen?” Eén van de vrouwen staat op, haar gekleurde rok wappert, haar huid heeft ze zwart geverfd, met uitzondering van het gebied rond haar tepels: „Maar wij willen geen acht kinderen baren, als er geen eten is om ze te voeden!” Twee vrouwen juichen haar toe, drie knikken instemmend, de rest staart stuurs naar de grond. „Mijn moeder had er tien en heeft ze allemaal verzorgd”, zegt een peniskoker stellig. „Zij was een sterke vrouw. Jullie zijn lui.”

Ik breng in dat vrouwen, als ze minder kinderen baren, meer tijd hebben om te helpen op het land. Daar zijn de mannen het niet mee eens: „Van die pil worden ze ziek. En het stemt de goden slecht.” Totale wanorde ontstaat, iedereen schreeuwt door elkaar. De vrouw met de schietschijfborsten komt naar me toe: „De vrouwen die willen, komen zo wel op consult.”

’s Avonds, terug in ons dorp, slacht Patachuma zijn beste kip als afscheidsmaal. Pablo schenkt vier plastic bekertjes vol rum. Roberto zet de generator aan en het hele dorp komt langs voor een laatste dansje met ‘la doctora’. Als de fles leeg is, word ik weemoedig: Hoeveel ‘zin’ heeft mijn half jaar hier gehad? Een journaliste deelde hulpverleners ooit in twee groepen in: een minderheid die probeert structureel dingen te verbeteren en meestal gefrustreerd is, en een meerderheid – het pretcircuit – die het allemaal niets kan schelen, zolang er maar drank en avontuur is.”

„Hé!” Patachuma port in mijn zij: „Gaan we weer somber doen, ongeduldige? Had ik al verteld dat vanmiddag het stamhoofd die ‘schijf van vijf’ van jou in het zand zat te tekenen met een horde kindjes eromheen?” Roberto knikt. „Een stel indianenvrouwen vroeg mij trouwens om de pil.”

„En vergeet die peniskokers niet”, voegt Pablo toe, „die bij de rivier stonden te vechten om condooms!”

„Ja, vast”, grijns ik. En besluit dat er een derde hulpverlenersgroep bestaat, die wél iets probeert te verbeteren, maar door een overschot aan drank, avontuur en optimisme toch niet gefrustreerd raakt.

Gelukzalig til ik mijn glas op om te toasten. Na een half jaar gekookte banaan en rum in de jungle begin ik al te kwijlen bij het ruiken van deze sauvignon blanc. Ik kan niet wachten om Paula en haar vrienden over de jungle te vertellen. Bij de eerste vraag steek ik van wal: over eilandjes van vrede, ondervoeding...

„Allemaal forel met amandelen?”, valt de tandarts me in de rede. „Doe maar”, adviseert Paula, „weinig verzadigd vet en veel omega 5.”

„Ehh… ja, goed”, mompel ik. „Maar dus… als we consulten doen, staat het hele dorp in de rij en is er een indiaan die als vertaler...”

„Vertaler?”, onderbreekt een makelaar, „jij spreekt toch Spaans?”

„Indianen hebben hun eigen taal. Ze spreken Emberra”, roep ik verbaasd. Paula schudt haar hoofd: „Ongelooflijk dat die taaltjes nog bestaan.”

„Er zijn anderhalf miljoen indianen in Colombia”, kan ik niet nalaten nadrukkelijk te zeggen.

Paula’s echtgenoot vindt het nu genoeg geweest. „Sorry, hoor”, zegt hij en begint over hun labrador, die problemen had op een nieuwe hondenschool: „Voor de vorige moest hij elke dag drie kwartier met de taxi. Dus deden we hem op dat schooltje op de hoek, maar daar voelt hij zich helemaal niet thuis.”

„Lógisch!”, vindt Paula. „Wíj hebben ons leven, maar híj ook. Dat kun je niet zomaar overhoop gooien. Dus nu gaat hij gewoon weer…”

Plotseling walg ik van deze setting, en vooral van mezelf dat ik hier tussen zit met mijn sauvignon, terwijl Patachuma en Pablo op de rivier nooit anders zien dan rijst en bananen. Het gesprek gaat volledig langs me heen. Waar stá ik eigenlijk? Ben ik dan echt die beroepsgedeformeerde tropenarts geworden, die elke leuke avond moet verkloten met moraliserende praat? Als dat zo is, dan moet ik nu van tafel. Dan moet ik nú een statement, een keuze maken.

„Tiramisu of limoentaart?” Ik schrik op uit m’n gepeins. De serveerster staat met haar blocnote naast me. Tiramisu of limoentaart… Ik zie ze in goddelijke bergen voor me uitgestald, begin te watertanden.

„Sorry. Ik kan niet kiezen”, zeg ik dan. „Mag ik allebei?”