Infectieziekten komen weer terug

Socioloog. Auteur van onder meer ‘De onzichtbare vijand. Over de strijd tegen infectieziekten’.

Het lijkt erop dat we wat betreft de Mexicaanse griep met de schrik zullen vrijkomen, maar de plotselinge verschijning ervan onderstreept hoe dan ook de menselijke kwetsbaarheid voor nieuwe virusinvasies. De zegeningen van de infectiebestrijding – riolering, schoon drinkwater, massavaccinatie, antibiotica – hebben de gevaren drastisch ingedamd. Maar verdwenen zijn ze niet, al zag het daar een tijd lang wel naar uit.

Omstreeks 1950 waren infectieziekten van doodsoorzaak nummer één veranderd in een onbeduidende restcategorie. De rooskleurige toekomstvisioenen bereikten een hoogtepunt in 1967, toen de hoogste medische autoriteit in de Verenigde Staten, surgeon general William H. Stewart, officieel meedeelde dat de strijd tegen infectieziekten wel zo’n beetje was gestreden. Het boek kon worden gesloten, de epidemieën van besmettelijke ziekten die de wereld zo lang hadden geteisterd, behoorden tot het verleden. Hier en daar viel er nog wat op te ruimen, maar het grote werk was gedaan.

Sinds de jaren tachtig is dit optimisme gelogenstraft. Definitieve zeges bleken in de infectieziektebestrijding maar weinig te boeken. Het is zelfs twijfelachtig of de enige overwinning tot nog toe, op de pokken, ooit geëvenaard zal worden. De uitroeiing van een ziekte is aan allerlei condities gebonden: er moet een vaccin zijn dat blijvende immuniteit verschaft, er mogen geen gezonde virusdragers rondlopen die het virus zonder het te weten verder kunnen verspreiden en er mogen ook geen virusreservoirs in de dierenwereld zijn, zoals bij veel ziekten het geval is. Polio en mazelen voldoen aan die eisen. De strijd tegen de polio is het verst gevorderd, maar nog altijd niet gestreden en het is zeer de vraag of dat punt ooit bereikt zal worden.

In de strijd tegen infectieziekten is iedere vooruitgang voorwaardelijk; als er uit de afgelopen decennia één les is te trekken, dan is het deze. De grote plagen uit het verleden leken onder controle, maar ziekten als malaria, cholera en tuberculose zijn inmiddels niet meer op de terugweg, maar op de weg terug. Armoede, massamigratie, falende bestrijding, de funeste invloed van de aidsepidemie – het zijn stuk voor stuk factoren die de verspreiding van ziekten in de kaart hebben gespeeld en zullen blijven spelen, maar het zijn niet de enige. Malaria won, net als veel andere ziekten, terrein door de geweldige toename van het reizigersverkeer door de lucht. Het aidsvirus kon zich in het laatste kwart van de twintigste eeuw snel en wereldwijd verspreiden door een combinatie van migratie en verstedelijking in Afrika, de ontwikkeling van extreem promiscue, internationale homoseksuele circuits in West-Europa en de VS en de verbreiding van medische technologie: het gebruik van de injectiespuit en de opkomst van grootschalige bloedvoorzieningen. Sars maakte gebruik van de luchtwegen en legionella spon goed garen bij de expansie van het moderne sanitair.

Ook klimaatfactoren spelen een rol bij de verspreiding van ziekten. Stijgende temperaturen veranderen het leefgebied van malariamuggen en dus de verspreiding van malaria. Cholerabacteriën blijken in een soort winterslaap te overleven in koud zeewater. Ze hechten zich aan plankton en kunnen zich op die manier buiten menselijke gastheren langdurig handhaven. Opwarming van het water maakt de slapende bacteriën weer wakker en actief. Aan de kust van Zuid-Amerika heeft de stijging van de temperatuur van het zeewater onder invloed van warmwaterstromen in de jaren negentig geleid tot grote epidemieën.

Anders gezegd: in de infectieziektebestrijding heeft men te maken met een complex van veelsoortige krachten. Het ligt niet in onze macht die ooit onder controle te krijgen. Sterker nog: in onze huidige, geglobaliseerde wereld zijn de krachten die de verspreiding van ziekten bevorderen sterker geworden, waardoor infectieziekten wereldwijd weer de voornaamste doodsoorzaak zijn geworden.

Anders dan zo’n veertig jaar geleden werd gedacht, zal het boek der infectieziekten nooit worden gesloten. Naast al het genoemde bestaat daar nog een laatste, onverbiddelijke reden voor. Die ligt in de principiële onontkoombaarheid van nieuwe problemen en onaangename verrassingen. Daarvoor bestaan twee bronnen, een ecologische en een biologische.

De eerste heeft betrekking op de opening van nieuwe ziektereservoirs als gevolg van onze interacties met de dierenwereld. Allerlei ingrepen van mensen in hun natuurlijke omgeving vergroten of verkleinen het leefgebied van dieren waardoor nieuwe raakvlakken tussen de mensen- en de dierenwereld ontstaan die nieuwe kansen kunnen bieden voor de uitwisseling van ziektekiemen. Alle nieuwe ziekten en plagen die recent voorbijkwamen – ebola, aids, vogelgriep, sars, de ziekte van Lyme – zijn stuk voor stuk afkomstig uit de dierenwereld. Dat ziekten van dieren op mensen kunnen worden overgebracht is op zich geen nieuw fenomeen – denk aan pest, miltvuur, hondsdolheid. Wel nieuw is de schaal waarop tegenwoordig in sommige regio’s in China en Indonesië mensen en pluimvee dicht opeen leven, waardoor de kans op het ontstaan van nieuwe pandemieën toeneemt.

De meest besproken dreiging is een grieppandemie, veroorzaakt door een vogelgriepvirus dat zodanig is aangepast dat het van mens op mens overdraagbaar is geworden. Het werd deze keer iets anders, een Mexicaans product van vooralsnog onduidelijke herkomst: het virus is een knutselwerk waarin sporen van mensen-, varkens- en vogelgriepvirussen zijn aan te treffen.

Een tweede bron van verrassingen ligt besloten in de veranderlijke aard van de micro-organismen zelf. Hun belangrijkste wapen in de strijd om het bestaan is hun genetische flexibiliteit: de snelheid en slordigheid waarmee ze zich vermenigvuldigen. Door mutaties en kopieerfouten ontstaan lukraak en aan de lopende band nieuwe varianten. De meeste daarvan zijn geen lang leven beschoren, maar er kunnen ook levensvatbare exemplaren tussen zitten, waaruit zich nieuwe stammen kunnen ontwikkelen. De komst van antibiotica heeft de selectiedruk op bacteriën geweldig opgevoerd, waardoor deze in de afgelopen vijftig jaar meer geëvolueerd zijn dan in de millennia die eraan vooraf gingen. Door resistentievorming zullen zij op den duur ontsnappen aan het bestaande arsenaal geneesmiddelen. Wat betreft hun veranderlijkheid zijn de verwekkers van aids, malaria en griep speciaal berucht. Tot op heden is het niet gelukt tegen deze instabiele ziekteverwekkers afdoende vaccins te ontwikkelen.

Wat staat hier tegenover? Evolutionair gesproken niets van enige betekenis. Vergeleken met de omloopsnelheid in de microwereld is de menselijke reproductie van een onmetelijke traagheid, veel te traag om van enige betekenis te zijn. De aanpassing van mensen aan hun kleine belagers verloopt ook niet via mutaties of genetische recombinaties, maar via het afweersysteem en dat gaat hooguit een mensenleven mee. Ouders die immuun zijn voor de klassieke infectieziekten krijgen nageslacht dat gewoon weer vatbaar is. Elke generatie moet zich opnieuw wapenen, door zelf de ziekte door te maken of zich te laten vaccineren. Dat is niet erg efficiënt in vergelijking met de genetische aanpassing in de microwereld.

In de strijd tegen infectieziekten schiet de menselijke biologische machinerie duidelijk tekort. Of wij het op de lange duur gaan redden, hangt dan ook af van andere middelen: nieuwe medicijnen en vaccins, kennis en vernuft. De microbioloog en Nobelprijswinnaar Joshua Lederberg voorspelde al dat de toekomst van mens en microbe zich zal ontvouwen als een spannende thriller onder de titel Our Wits Versus Their Genes.

    • Annet Mooij