'Ik was een zelfsturend object'

Tweede Kamerlid Mei Li Vos (1970) groeide op in ‘een werkgezin’ met vijf broers. ‘Op zaterdagochtend klonk het: en wat ga je vandaag voor nuttigs doen?’

‘Ik zal dit wel weer gedoe gevonden hebben, zo’n foto. Het was voor het twintigjarig huwelijksfeest van mijn ouders. Ik was zeventien en deed eindexamen vwo. Een ernstig kind was ik, arrogant, en een loner. Op het vwo had ik wel een paar goeie vrienden, maar niet veel vriendinnen. Ik begreep meisjes niet zo goed. Typische meisjesdingen vond ik getrut. Thuis werd ik omringd door jongens. Ik heb lang een jongetje willen zijn. Dat leek me handig. Jongens deden leukere dingen.

„Je moet woekeren met je talenten, was het motto van mijn ouders. Nooit miepen dat je iets niet kunt, en zeker niet omdat je een meisje bent. Mijn moeder was een echte zakenvrouw, heel direct in haar optreden. Doordat haar inkomen stabieler was dan dat van mijn vader, was ze jarenlang kostwinner. Mij peperde ze het belang van financiële onafhankelijkheid in. Bij leeftijdgenootjes zag ik wel moeders die thuis waren, en koekjes bakten, en er ’s avonds voor zorgden dat de lasagne op tafel stond. Ik kende dat niet. Wij waren een werkgezin. Mijn broers hielpen met de afwas en de vuilnis, ik kookte twee keer in de week. Simpele gerechten, want we hadden niet zoveel geld.

„Mijn ouders waren idealisten. Ze kenden elkaar uit het christelijke studentenleven in Utrecht. Tot mijn zevende woonden we met drie families in één huis in Veldhoven, waar ook nog plaats was voor ex-gedetineerden en andere outcasts. We zaten vaak met dertig man aan tafel. Later in Arnhem woonden we alleen met ons eigen gezin, maar kwam er nog steeds veel volk over de vloer. Er kon altijd wel een eter bij. Mijn vader was een enorme betweter, die ons aanzette tot heftige discussies over kunst, politiek, religie. We mochten niet veel tv kijken, maar het nieuws was vaste prik. Op zaterdagochtend klonk het: ‘En, wat ga je vandaag voor nuttigs doen?’

„In zo’n grote groep kun je heel solitair leven, gek genoeg. Mijn broers en ik gingen onze eigen gang. We waren allemaal anders: Michiel was goed met z’n handen, Marc Paul was een boekenwurm, Nathan kende de encyclopedie uit z’n hoofd, David was een dromer en Daniel knutselde graag met apparaten. Ik was muzikaal en las veel: van Pitty naar kostschool en De Kameleon tot Emile Zola en de Tachtigers. Ik was de eerste van ons die afstudeerde: politicologie aan de Universiteit van Amsterdam. Die studie was mijn eigen idee. Mijn ouders bemoeiden zich er niet mee. Ik was een zelfsturend object.

„Ik dacht dat ik alles wel wist, maar mijn identiteit had ik toen nog niet gevonden. Ik heb lang geworsteld met anorexia nervosa. Pas op mijn 24ste ontdekte ik wie ik was als meisje, als vrouw. Nog weer later merkte ik hoe leuk het is om je ook echt vrouwelijk te kleden; daar is mijn vriend, met wie ik nu vijf jaar samen ben, een belangrijke factor in geweest. Hij houdt ervan als ik jurkjes en hoge hakken draag. En mijn broers vinden het heerlijk dat ze nu een echte zus hebben.

„Drie van mijn broers zijn getrouwd en hebben hechte gezinnetjes. Het zijn zorgende vaders, dat is vanzelfsprekend voor ze. Ik woon op mezelf. Mijn vriend en ik willen nog niet samenwonen. Over kinderen zou ik zo langzamerhand toch eens moeten nadenken, want ik ben bijna veertig. Mijn moeder is op mijn verzoek opgehouden ernaar te vragen; ze zou het heerlijk voor me vinden, want zelf beschouwt ze ons zessen achteraf als haar grote geluk. Ik zie het wel. Ik ben al met overgave tante.”

De laptop op haar werktafel herinnert met venijnige bliepjes aan de voortgang van het politieke leven, maar haar hoofd is even elders, nu. Binnenkort betrekt ze haar nieuwe koophuis: een piepklein, zeventiende-eeuws pandje. Het klussen doet ze zelf; haar vriend en haar broer Michiel helpen en adviseren. De inrichting wordt helemaal retro.

Suggestie voor een bijzondere foto met verhaal? Mail naar weekblad@nrc.nl

    • Sandra Heerma van Voss