Financiële sector was nooit een groeimotor

Kan de financiële sector weer de motor worden van de Nederlandse economie? De expert: „Als financieel centrum was Amsterdam voor de crisis al afgegleden naar de periferie.”

Adviesbureau McKinsey heeft de eer gekregen om de toekomst van de Nederlandse financiële sector te bepalen. In het jaarverslag van De Nederlandsche Bank staat het wel wat omfloerster: „Het is nog wat vroeg om de balans op te maken en voor een goed toekomstbeeld van de financiële sector is een veelomvattend onderzoek nodig, dat DNB in samenwerking met externe consultants in gang heeft gezet”, schrijft president Nout Wellink.

De opdracht voor McKinsey is er niet zomaar eentje. Nederland is altijd trots geweest op zijn financiële sector. Dit is het land dat de aandelenbeurs uitvond in de 17de eeuw. Waar in 1871 het eerste pensioenfonds werd opgericht. En waar in 1978 in Europa voor het eerst aan de beurs in opties kon worden gehandeld aan de European Options Exchange (EOE).

Dat dreigt verloren te gaan, vreest de financiële sector. „We laten kansen liggen”, zegt directeur Joost van der Does de Willebois van de Amsterdamse effectenbeurs. „Juist in tijden van grote veranderingen zijn er ongekende mogelijkheden. Maar dan moet je wel snelheid maken. In Frankrijk werk iedereen samen – overheid, centrale bank en financiële instellingen – om van Parijs het financiële centrum van het Europese continent te maken. Daar proberen ze nu de clearing van de derivatenhandel binnen te halen en te profiteren van de tijdelijke zwakte van Londen. Dat gevoel van urgentie mis ik in Nederland.”

De hoop op een rol van belang in de internationale financiële sector heeft lang samengehangen met de grote partijen die hier gevestigd zijn. In de jaren negentig van de vorige eeuw gingen Nederlandse banken en verzekeraars voorop in de veroveringstochten waarbij ze tot ver over de grenzen van hun thuismarkten overnames deden. Nederland kreeg voor een klein land buitenproportioneel grote financiële instellingen als ABN Amro, ING en Aegon die tot in de VS tot de grote spelers behoorden.

Maar de Hollandse financiële sector zit in een identiteitscrisis. Eerst was er in 2007 de ontmanteling door een buitenlands consortium van ABN Amro. Daar kwam de kredietcrisis overheen, waardoor ING en Aegon flink in de problemen kwamen. Banken en verzekeraars zeggen dat ze weer saai willen worden, hun ambities zijn bijgesteld. De vraag is of deze sector ooit weer de groeimotor van de economie kan worden.

Maar hoe belangrijk was de financiële sector werkelijk voor de Hollandse economie? Met het verdwijnen van veel industriële productie naar lagelonenlanden sinds de jaren tachtig zou Nederland het vooral moeten hebben van dienstverlening, was de gedachte. Met daarbij een voortrekkersrol voor de financiële sector. Puur gekeken naar cijfers van het CBS valt dat tegen. Het aandeel in het bruto binnenlands product is niet spectaculair toegenomen sinds 1987 en is zelfs de laatste jaren gedaald tot onder de 7 procent. Ook het aantal werknemers als percentage van de beroepsbevolking is in die jaren nauwelijks toegenomen.

Alleen de balansen explodeerden. „Strengere regulering zal er door de hogere kapitaalsvereisten voor zorgen dat bankbalansen zullen verkleinen en ook minder uitbundig zullen groeien”, verwacht econoom Michiel Bijlsma van het Centraal Planbureau nu.

Hoogleraar Arnoud Boot van de Universiteit van Amsterdam relativeert de cijfers: „We slagen er niet de toegevoegde waarde van de financiële sector goed te meten”, zegt hij. „Maar ook bij de OECD zitten we zo rond de 6,5 procent en dat is maar 1 procent meer dan het Europese gemiddelde. Zo ver kunnen we dus niet terugzakken, wat we ook aan beleid ontwikkelen.”

Hoe belangrijk was Amsterdam als financieel centrum voor de crisis? Dat valt mee, stelt Ewald Engelen, financieel geograaf aan de Universiteit van Amsterdam. „Na het uiteenspatten van de ICT-zeepbel begin deze eeuw, zag je in de jaren daarna de winstgevendheid van de financiële sector in Londen, New York, Dublin en Luxemburg weer snel op het oude niveau terugkeren. In Amsterdam zag je dat niet. Nederland profiteerde niet van de securitisatieboom, terwijl Dublin en Luxemburg een enorme groeispurt maakten. In Nederland kraaide daar toen geen haan naar, terwijl ze in Ierland en Luxemburg profiteerden van een langjarig, goed gecoördineerd beleid”, zegt de wetenschapper. „Amsterdam is al voor de kredietcrisis afgegleden naar de periferie.”

Zelf zetten de financiële instellingen met toezichthouders DNB en AFM en betrokken ministeries in 2007 het Holland Financial Centre (HFC) op, om Amsterdam als financiële hoofdstad weer op de kaart te krijgen. Het was tijdens de overnamestrijd rond ABN Amro, toen duidelijk was dat die bank in buitenlandse handen zou komen.

Bij zijn afscheid als HFC-voorzitter zei Arthur Docters van Leeuwen vorige maand dat juist in deze crisis kansen liggen voor Nederland als centrum voor degelijk bankieren. „Wij hebben in Nederland nooit meegedaan aan de light touch in regulering waardoor ze in Londen en Dublin zo ontzettend hard konden groeien”, legt adjunct-directeur Robin Fransman van het HFC uit. „In Dublin kon je elke prospectus van welk ingewikkeld gestructureerd product dan ook in vijf dagen goed laten keuren, in Nederland wilden we er ook wel eens een paar weken over doen. Ons toezicht bleef degelijk, we deden niet mee. Daar zijn we nu blij mee, je ziet ook dat wij weer meer prospectussen krijgen”, vertelt hij. Gestructureerde producten zijn de ingewikkelde securitisaties die ten grondslag liggen aan de kredietcrisis. Het HFC overweegt nu om daar een van de speerpunten van te maken, net als pensioenen, duurzaam bankieren, derivaten en betalingsverkeer.

In de strategie om van Nederland Pensioenenland te maken, gelooft hoogleraar Arnoud Boot niet. Het Nederlandse pensioenstelsel is te uniek. Maar in een nichestrategie gelooft hij wel. „Je ziet bij optiehuizen dat het werkt. We hebben hier verschillende grote optiehuizen zoals Optiver, waar 500 mensen werken, of IMC; en dat komt nog door die EOE. Je moet kijken of je op andere terreinen boetieks [kleine, gespecialiseerde financiële dienstverleners, red.] kunt aantrekken. Waarom niet meerdere private-equityhuizen? Alleen komen ze niet, als een clubje wel. Er is veel kritiek op het leefklimaat in Londen, in Amsterdam is het aantrekkelijker.”

Het uitgangspunt van grote financiële instellingen moet losgelaten worden„Alle grote internationale banken zullen zich voorlopig terugtrekken op hun thuismarkten en dat geldt zeker voor de Nederlandse”, zegt Boot. „Daardoor wordt het moeilijk om grote instellingen hier te houden. Als er over een aantal jaren een nieuwe internationale consolidatieslag komt, kunnen het zeker aantrekkelijke overnamekandidaten zijn. Andere grote instellingen vestigen zich hier niet, het is belangrijker om te zitten in een land dat ook grote politieke macht heeft.”

De vraag is wat de politiek gaat doen. Komt er een nieuw industriebeleid, maar dan voor de financiële sector? Engelen is sceptisch: „Den Haag gooit alleen maar reddingsboeien uit, politici proberen te redden wat er te redden valt. Maar alle strategische plannen verdwijnen in een la.” Ook Fransman is pessimistisch. „De betrokken departementen zijn goed bezig. Maar veel politici kijken alleen maar terug en zijn op zoek naar de schuldigen. En ze geloven in ficties over de terugkeer van spaarbanken die risicovrij bankieren, over nutsbanken en over internationale instellingen die wij ons als klein Nederland niet meer kunnen veroorloven. Risicovrij bankieren bestaat niet, het gaat juist om het herverdelen en spreiden van risico’s.”

Onduidelijk is of de strategie van degelijk bankieren een lang leven beschoren kan zijn. Nu zegt elke regering dat het strenger toezicht wil. Maar over de invulling daarvan, zijn in Europa al de eerste schermutselingen gevoerd. Het beste zou Europees toezicht zijn, zegt Thorsten Beck, directeur van het European Banking Centre van de Universiteit van Tilburg. Maar hij acht de kans daarop klein en sluit zeker niet uit dat er over een aantal jaren opnieuw een wedstrijd tussen landen zal ontstaan om het lichtste toezicht te hebben.

„In dat klimaat moet je je afvragen of je nog wel een sterk financieel centrum wilt hebben”, zegt Beck. Een strategie om van Amsterdam weer een echt financieel centrum te maken, kan gevaarlijk zijn, waarschuwt hij. „In goede tijden kun je er van profiteren, Maar kijk naar IJsland en naar Londen wat er kan gebeuren als het misgaat”, zegt hij. „Financiële instellingen zijn creatief genoeg om hun weg om regels heen te vinden. Ze geven een product een pseudonaam die lijkt op een product dat al is toegestaan of ze richten nieuwe schaduwinstellingen op.”

De financiële sector is geen exportmotor, vindt de voormalige bankeneconoom van de Wereldbank. „De financiële sector moet de reële economie dienen. Dan kan innovatie belangrijk zijn, maar met derivaten deed de financiële sector dat de laatste jaren niet.”

De Nederlandse afgunstcultuur kan het vestigingsklimaat ook parten gaan spelen. Nederlandse politici willen voorop lopen in de aanpak van de bankiersbeloningen. Minister Bos van Financiën was trots dat hij het onderwerp op de G20 in Londen op de agenda had gezet. „Dat gezever over bonussen heeft enorme consequenties. Je ziet al mensen vluchten naar boetieks en naar het buitenland. Voor toezichthouders is het niet mogelijk expertise aan te trekken als je stug blijft vasthouden aan de Balkenendenorm. Nederlanders zijn hun pragmatisme kwijt, politici gooien alleen maar olie op het vuur”, zegt de financiële geograaf Ewald Engelen.

Fransman van het HFC is juist daarom blij met de nota die toezichthouders DNB en AFM deze week presenteerden, waarin geen maxima voor beloningen en bonussen zijn vastgesteld. „Vooral als je professionals wilt aantrekken die voor innovatie moeten zorgen, moet je dat niet doen. Als zo iemand een nieuw product verzint dat niet gaat werken, is dat een smet op zijn blazoen. Je krijgt risicomijdend gedrag. Gelukkig gaat de AFM vooral toetsen of de hoge beloning er niet toe leidt dat iemand te grote risico’s neemt.”

Dit is het slot van een serie over de toekomst van het financiële stelsel. Zie voor de vorige afleveringen: nrc.nl/kredietcrisis. De serie zal op 13 mei worden afgesloten met een debat in De Balie in Amsterdam naar aanleiding van het boek Bankroet van Egbert Kalse en Daan van Lent.

    • Daan van Lent
    • Egbert Kalse