De oudste koran 2

In de stadmuren in bijbelse tijden bevonden zich naast de grote poorten, waar kamelen doorheen konden, smalle deurtjes. Als na zonsondergang de grote poort gesloten werd, en er dus geen handelaren met hun kamelen en koopwaar de stad binnen konden gaan, kon een gewone reiziger nog altijd door dat kleine deurtje glippen. Dit deurtje heette `het oog van de naald`. Daar kon, net zomin als bij de stopnaald, een kameel doorheen.

    • Jos van Beers