Wees katholiek, en lees voor de plot

Ger Groot: Papierverwerkende industrie. Lezen als beroep. Ambo, 237 blz. € 19,95

Papierverwerkende industrie bevat de beste ‘korte stukjes’ over ‘alles wat leesbaar was’ die Ger Groot tussen 2002 en 2009 wekelijks publiceerde in De Groene Amsterdammer. Het zijn geen recensies; romans, gedichten, artikelen, strips, operalibretti en liedteksten dienden als vertrekpunt voor bredere beschouwingen.

Filosoof Groot, die Nederlandse dag-, week- en maandbladen overspoelt met zijn eruditie, munt uit in precies taalgebruik; alleen streeft hij soms net iets te nadrukkelijk naar bellettrie. De gebundelde stukken gaan vooral over literatuur, maar geven ook een persoonlijk beeld van de auteur: een bescheiden ironicus, een hypochonder, een toonbeeld van beschaving (‘Ik beken: het woord ‘‘kut” kwam er in de vorige alinea met enige moeite uit’) én een streng zelfobservator die zich weinig illusies maakt over zijn morele standvastigheid onder een hypothetisch totalitair regime: ‘Want ik weet: ik ben geen dapper mens [...] Ik ben een mogelijke, ja zelfs waarschijnlijke medeschuldige’.

De belangrijkste thema’s in deze bundel zijn de verhouding tussen fictie en werkelijkheid, en die tussen vorm en inhoud. Om met het eerste te beginnen: Groot heeft weinig op met de modernistische opvatting dat een roman een autonome wereld in woorden bouwt. Zijn interesse gaat uit naar de echte wereld. Liefst zou hij vergeten dat wat hij leest fictie is: ‘Zulk een versmelting van verhaal en toehoorder moet vanaf de oudste orale literatuur de droom van iedere verteller zijn geweest. Literatuur was daarin alleen maar fictie zolang ze nog niet volledig was geslaagd. [...] Wie aan kinderen voorleest, ziet dat nog in zuivere vorm.’

Helaas is de roman als getrouwe nabootsing van de werkelijkheid ouderwets geworden en heeft de term ‘verteller’ een ongunstige klank gekregen. De moderne literatuur ging haar eigen kunstmatigheid benadrukken en de moderne lezer werd geacht, in plaats van zich domweg te laten meeslepen door het illusionisme van de schrijver, zijn oog te houden op diens kunstgrepen die hij ‘probeert te doorzien als de volwassene bij de goochelaar op een kinderpartijtje’.

Lezers die van een boek verlangen dat het niet naar zichzelf maar naar de wereld verwijst, zijn vanzelfsprekend meer geboeid door het ‘wat’ dan het ‘hoe’ van een vertelling. Groot zoekt in literatuur een goed verhaal en vooral personages wier emoties hij kan delen en van wie hij na de slotpagina smartelijk afscheid neemt als waren het echte vrienden. ‘Alleen wie zonder fantasie is, gaat dan zoeken naar het hoe, in plaats van de herinnering te koesteren aan wie hij zojuist verloren heeft.’

Dat is voor Groots doen een opmerkelijk stellige uitspraak. Te stellig, want wat is erop tegen je bij eerste lezing te laten meeslepen door het verhaal, en vervolgens het boek te herlezen om erachter te komen met welke literaire middelen de schrijver jou in zijn greep heeft gekregen? Dan geniet je dubbel voor hetzelfde geld. Sterker, ik weet uit eigen ervaring dat het, wanneer je een boek één keer leest, heel goed mogelijk is de naïeve en de analytische leeshouding te combineren, waarbij je afwisselend de zakdoek en het potlood hanteert.

Een onmiskenbare intellectueel die voor naïef lezen pleit, is dat een vorm van koketterie? Ger Groot is de laatste die je daarvan zou verdenken. Misschien is het zijn katholieke achtergrond. In zijn drie jaar geleden verschenen Het krediet van het credo stelt Groot dat de formele tekstanalyse van de literatuurwetenschap zich heeft ontwikkeld uit de protestantse Bijbel-exegese. Protestanten richten zich, zoals bekend, op de letter van de Schrift, katholieken daarentegen worden meer aangesproken door de narratieve kracht ervan. ‘Reading for the plot’ is dus de katholieke manier van lezen.

Hoe het ook zij, het is een genoegen Papierverwerkende industrie te lezen. Ik werd er echt door meegesleept. Maar ik vergat niet ondertussen aantekeningen te maken.

    • Marco Kamphuis