Waar de herder taart eet en de waternimf lonkt

Twintig Penguin-boekjes bezingen ruraal Engeland in al zijn aspecten: landschap, mensen, opvattingen en tradities. Reislustopwekkend, en misschien ook een mooi idee voor een Nederlandse uitgever.

In de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw reist een ondernemende jongeman van het ene Engelse landgoed naar het andere. Hij probeert de eigenaren zover te krijgen dat ze hun bezittingen overdragen aan de National Trust, een organisatie die plaatsen van historisch belang voor het nageslacht wil bewaren. De jongeman heet James Lees-Milne, en hij legt zijn belevenissen nauwgezet vast in zijn dagboek. Soms sardonisch, soms melancholisch, maar altijd met sympathie voor de bewoners van de landhuizen, voor wie het steeds moeilijker wordt het hoofd boven water te houden. Lees-Milne maakt zelf deel uit van de verdwijnende wereld die hij in zijn dagboek beschrijft; sommige huizen die hij bezoekt, kent hij nog van vroeger, toen hij er bij studievrienden uit Eton of Oxford logeerde. Toch wekt hij een eenzame indruk, als iemand die een kleine slotgracht om zichzelf heeft uitgegraven. Als hij dan een keer in een hotellobby een jonge RAF-sergeant ‘of ineffable beauty’ ontmoet, wordt hij net voor hij hem een vuurtje kan geven, gestoord door de Lord met wie hij daar heeft afgesproken.

Het dagboek van Lees-Milne is een van de verrassingen van ‘English Journeys’, een reeks van twintig boekjes die Penguin uitbrengt om het Engelse platteland in al zijn aspecten te bezingen, zoals de uitgeverij het zelf formuleert. Penguin heeft inmiddels een aardige traditie opgebouwd als het gaat om het uitgeven van reeksen kleine boekjes die selecties uit al eerder uitgegeven werken bevatten. Toen de uitgeverij in 1995 zestig jaar bestond, werd dat gevierd met de zestigdelige reeks ‘60s’, en inmiddels zijn er drie series ‘Great Ideas’ verschenen, waarin werk van filosofen en essayisten centraal staat.

En nu wordt dus het platteland gepresenteerd. De samenstellers van ‘English Journeys’ hebben uit allerlei bronnen geput om een caleidoscopisch beeld van het rurale Engeland te geven. Het enige complete werk dat in de serie is opgenomen, is de gedichtencyclus A Shropshire Lad van A.E. Housman. Maar omdat de deeltjes gemiddeld zo’n honderd pagina’s tellen en de samenstellers van de serie hebben gekozen voor afgeronde, op zichzelf staande delen van grotere werken, krijg je zelden het gevoel dat je uit hun verband gerukte fragmenten leest. Het project is dan ook geen leeg prestigeproject; dan hadden ze wel voor een glanzend koffietafelboek gekozen. De deeltjes zijn bedoeld om te worden gelezen – en al lezend kom je auteurs tegen die je anders nooit zou hebben ontmoet.

De ideale voorhoede bij een verkenning van het platteland bestaat uit schrijvers van reisverslagen en reisdagboeken, omdat ze mobiel zijn en dus verschillende aspecten van het landschap tegenkomen. ‘English Journeys’ biedt een mooie gelegenheid de manieren te vergelijken waarop schrijvers uit verschillende tijden tegen het Engelse platteland aankijken. Celia Fiennes, die in Through England on a Side-Saddle de reizen vastlegde die ze eind 17de eeuw door Engeland maakte, beschrijft uitgebreid wat ze ziet, alsof ze een inventaris opmaakt, maar over haar eigen zieleroerselen komen we nauwelijks iets te weten en haar interesse voor het landschap beperkt zich vooral tot wat er zoal verbouwd wordt. Wanneer ze door het imposante landschap van het Lake District trekt, heeft ze het over great hills, maar ze is toch vooral geïnteresseerd in de vruchtbaarheid van de grond.

Honderd jaar later liggen de zaken heel anders. Inmiddels is de romantiek uitgebroken, en wanneer William en Dorothy Wordsworth in Life in Grasmere hun impressies van hetzelfde Lake District verwerken, geven ze alle ruimte aan zieleroerselen en esthetische vervoering. Er wordt zelfs van het landschap gehouden, met een liefde die volgens William wederzijds is. ‘It loves us now,’ dicht hij over de vallei waar hij met zijn zus woont, ‘this Vale so beautiful/ Begins to love us!’

In de tweede helft van de 19de eeuw wordt ook dorpsdominee Francis Kilvert door de romantiek van het landschap geraakt, zoals blijkt uit zijn geëxalteerde aantekeningen in A Wiltshire Diary, maar in de 20ste eeuw lijkt de opwinding enigszins gezakt. Bij auteurs als Edward Thomas, L.T.C. Bolt en John Stewart Collis is het platteland niet meer iets dat moet worden geïnventariseerd of bejubeld. Het is gewoner geworden, en dienstbaarder; het wordt een spiegel van de ziel, een gelegenheid voor meditatie en recreatie.

Niet alleen de tijd waarin ze leven bepaalt hoe auteurs het landschap ervaren. Ook hun achtergrond speelt mee. De inventariserende blik van Celia Fiennes keert terug bij een van de andere ontdekkingen van ‘English Journeys’, William Cobbett, die in het begin van de 19de eeuw door het zuiden van Engeland trok en in zijn reisverslag From Dover to the Wen ook grote belangstelling voor de voortbrengselen van het land toonde. Behalve journalist was Cobbett dan ook boer. Wel nieuw is zijn verontwaardiging over de sociale en politieke misstanden die hij onderweg tegenkomt. Hij verwoordt zijn woede met een sarcasme dat soms aan Multatuli doet denken, zonder dat hij overigens diens niveau haalt. De ultieme inventariserende blik is in ‘English Journeys’ overigens gereserveerd voor de natuuronderzoeker Gilbert White, die in de 18de eeuw verschillende correspondenten op de hoogte hield van de fauna in zijn woonplaats Selborne. In Birds of Selborne is een keuze uit zijn brieven opgenomen, inclusief lijstjes als ‘Vogels die maar kort zingen, en heel vroeg in het voorjaar’ en ‘Vogels die wel iets van een liedje hebben, maar toch nauwelijks zangvogels kunnen worden genoemd’. Ook van hem zou je meer willen lezen – vooral meer lijstjes.

Iedereen heeft op de een of andere manier een beeld van het Engelse platteland in zijn hoofd. Je hoeft er niet eens geweest te zijn; in films en tv-series heb je in de loop van de tijd veel glooiend grasland, imposante heuvels en stille meren voorbij zien komen. Maar dat is niet het beeld waar ‘English Journeys’ op inspeelt. Het platteland wordt opgevat als een cultuur; het gaat om mensen, opvattingen en tradities, en niet om pittoreske of ontzagwekkende plaatjes. De samenstellers willen laten zien hoe bewoners en bezoekers in de loop der eeuwen het landschap buiten de steden hebben ervaren, en ze hebben goed begrepen dat je daarvoor niet alleen reisverslagen en dagboeken nodig hebt, maar ook algemenere werken. Het Engelse landschap vouwt zich pas echt open wanneer ook de naslagwerken aan bod komen. Er wordt tenslotte niet alleen op het land rondgetrokken en geobserveerd, er wordt gewoond, gezongen, gevreesd, en gegeten – ook door mensen die niet geletterd genoeg waren om daarvan persoonlijk verslag te doen.

En eindelijk kom je achter dingen die je altijd al had willen weten. In die films en tv-series over het Engelse platteland worden regelmatig schotels als shepherd’s pie of Yorkshire pudding op tafel gezet. Iedereen die niet weet wat die gerechten precies inhouden, kan terecht in The Pleasures of English Food, een bloemlezing uit Alan Davidsons klassieker The Penguin Companion to Food. Ook onthult Davidson de geheimen en de geschiedenis van minder bekende Engelse streekgerechten als stargazey pie, roly-poly pudding en maids of honour.

Andere Engelse tradities komen aan bod in English Folk Songs, de liedbundel die in de serie is opgenomen, en waarvoor een beroep is gedaan op de archieven van de Journal of the Folk Song Society. Vrolijke refreinen als ‘fol-lol-liddle-lol-le-day’ en hey diddley dingo, hey diddley day’ kunnen niet verhullen dat veel liederen een sombere ondertoon hebben. Het plezier dat het zingen verschafte, had ongetwijfeld ook te maken met het bezweren van angsten. Schepen vergaan, geliefden zijn niet te vertrouwen of gaan dood, moeders vermoorden hun kinderen, de duivel komt langs (fal-de-ral little law-day) en waternimfen blijken te beschikken over de kus des doods. Bij elk lied wordt de melodie gegeven, en de naam van degene die het ooit aan de samenstellers voorzong. Zo zong mevrouw Costello uit Birmingham in 1951: ‘I wish, I wish, but it’s all in vain/ I wish I was a maid again.’

Veel folksongs zijn gebaseerd op eeuwenoude sprookjes, volksverhalen en het bijgeloof dat in Country Lore and Legends alfabetisch wordt geordend. Naast min of meer historische figuren als koning Arthur en Lady Godiva komen ook wezens als feeën, draken, zoetwatermeerminnen en dwaallichten aan bod – stuk voor stuk entiteiten met nare trekjes, die je liever niet in het wild tegenkomt. Zodat het raadzaam is te vluchten naar de Cathedrals and Castles, minutieus beschreven door Henry James, die zich als Amerikaan verbaast over de ouderdom van de door hem bezochte gebouwen, of naar de Country Churches die door Simon Jenkins op een rij worden gezet. Anderen vluchten misschien liever naar de verhalen en adviezen over tuinieren van Gertrude Jekyll en Vita Sackville-West.

Vooral bij deze deeltjes over kerken, kastelen en tuinen wreekt zich het feit dat geen enkel deel van ‘English Journeys’ illustraties bevat. De opsommingen van gebouwen, bloemen en planten krijgen op den duur wat monotoons; zelfs een intelligente geest als Vita Sackville-West neemt in haar boek over tuinieren haar toevlucht tot voor de hand liggende opmerkingen als ‘wat je zaait, moet je laten afhangen van je persoonlijke voorkeuren en de kleuren die je graag ziet’. Bovendien zweven deze deeltjes tussen naslagwerk en leesboek in, wat ze binnen de serie een enigszins wezenloos karakter geeft. Maar ze completeren het beeld van het rurale Engeland, en daarom valt hun opname in ‘English Journeys’ te verdedigen.

De afzonderlijke deeltjes zijn mooi uitgegeven, met omslagen in zachte kleuren, de kleuren van een heiige zomernamiddag op het platteland, maar gelukkig hebben de samenstellers sentimentaliteit en nostalgie weten te vermijden. ‘English Journeys’ is geen elegie en als het een lofzang is, dan een vrij nuchtere. Dat komt niet in de laatste plaats omdat de plattelandsbewoners ook zelf aan het woord komen. Een van de deeltjes bevat een selectie uit Akenfield, het boek uit 1969 waarin Ronald Blythe de inwoners van het dorp Akenfield in Suffolk hun eigen verhaal liet vertellen. Het deel bevat onder meer monologen van een boer, een smid, een rietdekker, een zadelmaker en een tuinman – stuk voor stuk mensen die hun hele leven hard hebben gewerkt. En een hard leven zorgt voor harde gewoontes. Marjorie Jope, die jarenlang als verpleegster in Akenfield werkte, en als een van de weinige buitenstaanders bij de mensen thuis kwam, prikt de mythe door dat in dergelijke gemeenschappen bejaarde ouders in hoog aanzien stonden. ‘Ze werden genegeerd,’ zegt ze, ‘ze zaten maar ergens in een hoekje. Soms trof ik ze zelfs in kasten aan.’

Een serie als deze nodigt natuurlijk uit om een lijst te maken van wat ontbreekt – maar waarom zou je; wat je mist, dat ken je al. En toch – er is een bepaalde wisselwerking tussen landschap en personage die alleen in fictie kan worden uitgedrukt. Omdat er in de serie geen verhalend proza is opgenomen, ontbreekt het grote drama waar personages en landschap een bijna symbiotische verhouding aangaan, zoals in Wuthering Heights van Emily Brontë, of sommige romans van Thomas Hardy of D.H. Lawrence. Denk bijvoorbeeld aan de oprukkende industrialisatie die in Lady Chatterley’s Lover het landschap verandert, en dus ook de levens van de personages die dat landschap bewonen.

Toch schetst ‘English Journeys’ geen statisch beeld, want ook al ontbreekt het literair drama, de geschiedenis is bijna overal aanwezig: in de herinneringen van de oudste mannen van Akenfield, die nog in WOI hebben gevochten, in de verontwaardiging over maatschappelijke misstanden bij Cobbett, in de door L.T.C. Rolt betreurde komst van de tractor die het paard van de boerderij verdrijft – en natuurlijk bij dagboekschrijver James Lees-Milne, die de eigenaren van landgoederen bezoekt om als een beleefde engel des doods het einde van een tijdperk aan te kondigen; tegen wil en dank fungeert hij als wegbereider voor de toeristen, die zich in zijn kielzog aan de landhuizen vergapen en op hun stevige wandelschoenen het platteland doorkruisen.

Aan de toeristen is geen enkel deeltje van de serie gewijd, maar gaandeweg word je je steeds bewuster van hun aanwezigheid, alsof ze zich achter je rug verzamelen tot je het laatste deeltje dichtslaat. Daarna nemen zij de boel over, en geef ze eens ongelijk. Wanneer je ‘English Journeys’ uit hebt, krijg je zelf ook zin door het Engelse platteland te trekken, om door de National Trust beheerde landgoederen te bezoeken, om betoverd te worden door waternimfen, om onbekende streekgerechten voorgezet te krijgen en om mee te zingen met mevrouw Costello uit Birmingham: ‘But a maid again I never shall be/ Till apples grow on an orange tree.’

De volledige tekst van de reisverslagen van Celia Fiennes en William Cobbett is te vinden op de website A Vision of Britain Through Time (www.visionofbritain.org.uk; klikken op Travellers Tales), een project van de universiteit van Portsmouth. Daar zijn ook andere historische reisverslagen te vinden, zoals ‘A tour thro’ the Whole Island of Great Britain, Divided into Circuits or Journies’ van Daniel Defoe uit de jaren twintig van de 18de eeuw; let op de aparte afdeling reisverslagen van ‘Artisans and Agitators’.

Rectificatie / Gerectificeerd

CORRECTIE

English Journeys

In het blokje met de gegevens van de boeken uit de bespreking van de serie English Journeys (Boeken 08.05.09) wordt melding gemaakt van een cassette van de hele serie die met 20 procent korting te verkrijgen is. Uitgeverij Penguin laat weten dat er geen sprake is van de uitgave van een boxed set. De twintig boekjes zijn alleen los verkrijgbaar en kosten 5 pond (€ 8,-).

    • Rob van Essen