Waar blijft de geschiedenis van NSB-kinderen?

Het Niod negeert soms belangrijke thema's en moet in plaats van zijn visie op de geschiedenis de bronnen publiceren, meent Chris van der Heijden.

Waar blijft de geschiedenis van NSB-kinderen? De officiële geschiedschrijving heeft foute Nederlanders genegeerd en hun kinderen buitenspel gezet Illustratie Milo Milo

Toen het Nederlands (toen nog Rijks-) Instituut voor Oorlogsdocumentatie zestig jaar geleden begon, was een van de eerste vragen waaruit de werkzaamheden moesten bestaan. In zijn eenvoudigste vorm kent het geschiedkundig proces drie stappen: bronnenverzameling, bronnenpublicatie, geschiedschrijving.

De eerste jaren van het NIOD waren vooral gewijd aan de verzameling van bronnen. Daarna was de vraag: gaan we de belangrijkste bronnen hiervan uitgeven of gaan we geschiedenis schrijven? Voorstander van de eerste richting was Dolf Cohen, vader van de huidige burgemeester van Amsterdam. Voorstander van de tweede richting was Loe de Jong. Laatstgenoemde ‘won’, als je het zo mag noemen. Cohen ging middeleeuwse geschiedenis in Leiden doceren en De Jong vertoonde eerst de televisieserie De Bezetting en schreef vervolgens zijn magnum opus. Daarin vertelde hij het verhaal van zijn generatie, van hoe de oorlog was gekomen en weer verdwenen en wat er in de tussentijd gebeurde.

In de twee decennia die sinds de publicatie van het laatste deel van Het Koninkrijk der Nederlanden en de Tweede Wereldoorlog zijn verstreken, zijn zowel de grootheid als de zwakte van De Jongs boek steeds duidelijker geworden. Het Koninkrijk is het verhaal van een generatie, een groots en meeslepend verhaal vergelijkbaar met het beste wat de Nederlandse geschiedschrijving sinds Hooft heeft opgeleverd.

Deze kracht is tevens een zwakte. Heel het werk is doortrokken van één en dezelfde toon. Veelal wordt die toon samengevat met de woordjes ‘goed’ en ‘fout’ maar zo simpel ligt het niet. Voor een dergelijke eenvoud is het Koninkrijk te subtiel. Maar coherent is het ook. Het is het werk van één man, gevormd door karakter, afkomst en tijd. Is dat laakbaar? Natuurlijk niet. Is het bezwaarlijk? Wellicht.

Andere tijden, zo weten we, stellen andere vragen. Andere vragen behoeven andere bronnen. Het was deze wijsheid die een man als Dolf Cohen, mediëvist van vorming, bronnenuitgave deed verkiezen boven geschiedschrijving. Zijn stem werd om begrijpelijke redenen niet gehoord. Men wilde, om het woord maar te gebruiken, ‘zingeving’. De Jong en tallozen in zijn voetspoor zorgden hiervoor en werden erom bejubeld. Voor de eventuele schaduwzijden was minder belangstelling.

Een onvermijdelijk gevolg van De Jongs ‘zingeving’ is dat onderwerpen die daarbij niet van pas kwamen, geruisloos verdwenen. Dat werd, voor zover überhaupt opgemerkt, niet als een nadeel maar als een voordeel ervaren. Ze pasten immers niet. Een van de onderwerpen waarvoor dat geldt, is het verhaal van de ongeveer half miljoen Nederlanders die tijdens de oorlog op de een of andere manier te vriendelijk met de bezetter hadden verkeerd. Wilhelmina, De Jongs heldin, wilde ze het liefst afvoeren. Dat gebeurde niet. In plaats daarvan schreef De Jong ze weg. De voormalige collaborateurs lieten het gebeuren. Ze konden niet anders. Aandacht vragen stond gelijk aan oproepen tot openbare executie. Nu, met de gebeurtenissen van Srebrenica, Guantánamo Bay en Abu Ghraib voor ogen, begrijpen we welk een misser hiermee begaan is. Wie daders niet begrijpt, kan het proces dat slachtoffers maakt niet begrijpen. Helaas, we zijn te laat.

Om op de valreep nog een en ander goed te maken, werden kort geleden twee projecten gestart. Ze worden grotendeels door VWS betaald en richten zich op de – zoals dat heet – ‘kinderen van foute ouders’. Een van die projecten is een open archief, een plek waar die kinderen hun verhaal kwijt kunnen (hetopenarchief.nl). Het andere is een door het NIOD gestuurd onderzoeksproject dat ‘Erfenissen van collaboratie’ is genoemd en onlangs een eerste product opleverde: Besmette jeugd. Kinderen van NSB’ers na de oorlog van Ismee Tames. Zij is tevens coördinator van het project dat nog minstens drie andere studies moet opleveren.

De scepsis hierover in kringen van de betrokkenen was groot. Begrijpelijk. Het NIOD was het instituut van Loe de Jong en deze had het verhaal weggeschreven. Waren zij de aangewezenen om het vervolgens weer op te rakelen – en dan bovendien via jonge historici die met het onderwerp geen enkele affiniteit hebben? Men onthield zich echter van commentaar omdat men eerst het resultaat wilde afwachten. Nu het er ligt, is de teleurstelling, voor zover ik kan nagaan, groot. Het is niet dat het boek van Tames slecht is. Persoonlijk vind ik het zelfs nogal goed, in aanmerking genomen dat de schrijfster van het onderwerp ‘niets’ wist en er slechts twee jaar aan gewerkt heeft.

Toch begrijp ik de teleurstelling – en deel hem ook. Het is de toon. Het is de sfeer. Het is de ordening van de feiten. Dat is geen verwijt aan Tames. Dat is een verwijt aan haar opdrachtgevers. Nadat de foute ouders door Loe de Jong weggeschreven waren, worden de kinderen van die ouders door De Jongs opvolgers ‘ingepast’: de betrokkenen zelf staan nog steeds buitenspel. Als een volgende generatie het verhaal van die kinderen wil horen, zal het opnieuw te laat zijn. Had Cohen niet toch gelijk? Is het uit respect voor komende generaties niet wijzer meer aandacht te besteden aan bronnenpublicatie? Het is minder sexy, dat klopt. Maar het is wel beter.

Chris van der Heijden is historicus, schrijver en publicist. Auteur van Grijs verleden (2001).