Psalm voor een afkomst

Ramsey Nasr, de Dichter des Vaderlands, is gefascineerd door de veranderingen in het eens zo calvinistische Nederland. In dit gedicht gaat hij het gesprek aan met de god van kerkhervormer Calvijn.

Psalm voor een afkomst Dichter des Vaderlands over Calvijn Illustratie Pépé Smit Smit, Pépé

god van oranje

de vaderen zeggen

ik kan mij rechtstreeks tot u wenden

geen tussenkomst van heiligen

maar direct, vandaar een gebed

zonder omweg of franje

de vaderen zeggen:

wij hebben hem gezocht

en kwamen terug

inktzwart en bedrukt

en nederiggeslagen

wij brulden van het kraken van ons hart

kalkten onze muren wit

sloopten en blakerden het lichaam

trokken onze gaten dicht

ik vroeg: waarom?

en de vaderen zegden:

omdat wij voortaan

ongehavend naar hem toe wilden leven

karig en strak, ieder voor zich

een letter voor zijn aangezicht

alleen de mond

opent nog op gepaste tijden

als een koker voor onze verwondering

of voor onbegrip, en ook om psalmen

te richten in telescopische eenzang

hem te bereiken in afzondering

en ik vroeg: waar dan?

en de vaderen zegden:

hij woont aan de rand van het naderbare

maar zijn licht is over ons aanwezig

leesbaar zijn is het ware leven

daar staan zij nu

verzegeld tot de laatste dag

hun vlees en huiden weggeteerd

bijna abstract in hun zuivere vorm

wachtend op kieskeurige toorn

de vaderen zeggen dat u uit liefde

een lichaam tegen hen heeft gebouwd

gal en moeite rond hen opgehoopt

en in deze wanhoop vinden zij troost

maar god van mijn afkomst

hun lichaam is mij

als van een vreemde

behuisd door vreemdelingen

zij zijn geoefend in de dood

ik heb een zwak voor het leven

misschien is het waar

dat ik geboren ben uit slechtheid

sterk werd door beschadigen

gehurkt ga tussen vlekken en smaad

in mijn veld van bloesemend verlangen

maar ik vrees

dat mijn tong schade denkt

en spreekt als een scheermes

omdat ik mijn dwalingen niet kén

zegt u mij

ik die de woorden van verslinding liefheb

die raas in mijn dolen

hoe kan ik zondigen

als ik nooit geleerd heb te zondigen?

ik ben een splinter van mijn afkomst

en wellicht is er voor mij geen hoop

oprijzend uit gezwavelde schoot

maar hier ben ik

onbekwaam tot enig goed

geneigd tot alle kwaad

van god en goden los

en de vaderen zwijgen over mij

en niemand heerst nog over mij

maar niemand rukt mij uit hun hand

ik eet hun brood

maar het is mijn huid die gloeit als een oven

en door de brand van hun zonden

drink ik nog altijd het zweet van hun angst

hier misschien, in deze schaamte

komen wij samen, in dit blozende midden

van kaal ongeloof en rotsvaste wanhoop

hier raken wij elkaar

de vaderen en ik

zijn wezen onder dezelfde lucht

als brave beulen van het vlees

hebben zij naar de letter geleefd

tot op het bot zijn zij gegaan

maar ik

ik kan niet verder terug dan dit

ik wil een lichaam

uitgekleed en mager

als een mondriaansboom

sta ik al jaren in het leven

gevangen te midden van tongen en kelk

een drenkeling tussen de bloemen

onmachtig mij ooit over te geven

anders dan aan deze schaamte

god van oranje

waar u ook bent

geef mij een lichaam

want zo gaat het niet

ik ben der tegenheden zat

ten einde raad heb ik getracht

uw duisterzwarte regels

af te breken met geweld

tot ik mijn haperende zinnen

één voor één kon openen

tot ik plots horen kon, en zien

en met wagenwijde poriën

kon snuiven, slikken

wat er maar te openen

of in te halen viel

ik heb de zegelen verbroken

heel dit lijf van mij hervormd

mij van u afgescheiden

noem het een opstand van het vlees

een akte van verlating

alleen een lichaam werd het niet

nu ben ik ook nog eens onzichtbaar:

volledig naakt en transparant

hier sta ik

met mijn lege kakelnieuwe lijf

waarin alles, alles openbaar

niets onuitsprekelijk mocht blijven

en hier, met heel dit vergiet van de ziel

roep ik tot u

ik roep tot u

met volle tegenzin

vanuit een tochthol zonder buiten of binnen:

als u de god van mijn afkomst wilt zijn

geef me dan iets om mee te beginnen

de vaderen herhalen het:

hij woont op de rand van het naderbare

hij weet van ons zitten en ons opstaan

hij omringt ons gaan en voelt ons liggen

en wandelt onze wegen mee

wel god, als dat waar is

dan weet ik u te vinden

al heb ik nooit gezocht

vol ongeloof

voel ik u al jaren in mij

zeuren en kloppen, ongevraagd

komt u op in een extra rij kiezen

zomaar, om niets, zonder reden

of ik voel u werkloos zitten

in de uithoek van een blinde darm

en u zit daar maar, geheel vergeten

een ongebruikte amandel of oorlel

lui en ledig

maar dit is uw dag

o god van het stuitje

als u dan toch hangen blijft

ontsteek dan ook goed

zet uw hand rechtop

zwel op in mij met alle kracht

ruk mij nu uit of verbrijzel mijn botten

maar doe iets god

drijf dit lijf tezamen

laat het rondgaan als een roedel

geef mij een lichaam

de vaderen zeggen dat wij nog geen haar

aan onze zaligheid kunnen toedoen

maar luister goed, want ik zal opstaan

omringd door kleuren en wellustige curves

zal ik omgaan als in een oosterse stad

in de wijken en stegen van mijn vlees zal ik zoeken

en als ik u vind – berg u dan god

want ik zal niet lossen

niet dan nadat ik u heb gedwongen

de deuren der binnenkameren te sluiten

en mij mee te trekken achter uw hand

om daar onze namen warm uit te storten

kom niet als de noorden- of zuidenwind

om mijn hof te doorwaaien

kom niet over mij als poëzie

maar breek in, doe het dan, onzacht en diep

sla mij lam met woedende passie

kom over mij als een zwijgende wachter

een beest met hete specerijen

of een boerenknecht desnoods

maar doe iets

mijn slapen zijn twee gebarsten granaten

mijn hals is een bonkende toren van bloed

want dit hart is onstuimig

de handen druipen van begeerte

tien vingers zijn vloeiende mirre om u

en om de klemmende greep van uw grendel

rijs in mij, god

zoals de vijgenboom zijn vroege vrucht laat zwellen

omgader mij, open mijn wachtende huid

sta op in mij als in uw eerste lief

mijn schone, mijn bloeiende

ik wil bidden met mijn benen

kom tot mij als een geurige roede

en wees zoet voor mij in nieuwe gedaante

gelijk de wijnstokken teder hun geur afgeven

kom nu, god

ik ben zwart maar ik kan lieflijk zijn

ik draag de belofte van eenheid in mij

kom

dat ik mijn fouten kan omvatten

dat ik mijzelf omhelzen kan

dat ik rondgaan kan

met het fonkelend beest in mijn botten

in deze burcht van haren en vlees

deze vesting van voormalige schaamte

zal vanaf nu worden geleefd

dit lichaam zal ik handhaven

diepheet bent u nu: een reptielenbrein

dat mij bestuurt en hunkert en wasemt

en dat mij vanaf nu zal leiden

zal opnemen in één heldere lijn

via miljoenen verre vaderen

rechtstreeks terug tot aan de kern

ik weet dat u daar bent

u bent in mij als een hoopvol monster

als een mooie oneindige code van letters

waar u leeft in mijn deelbare afzondering

en ik zal mij voortplanten om u

en mij halveren keer op keer, uit liefde

versplinteren in anderen en aanlengen weer

want nieuwe soorten zal ik voortbrengen

om u zal ik stappen als de sierlijke gazellen

pronken met goud als de glansfazant

leren kronkelen als salamanders

dansen en zweven als zeepennen

mijn verhemelte kan zoetheid zijn

alles aan mij is bekoorlijkheid

zo is mijn liefde voor u en niet anders

god van mijn afkomst, aanvaard mij

ik draag een wonderlijk beest in mij

van nature verbasterd en in wezen onrein

maar dat beest ben ik en niemand anders

maakt mij zo licht van alle zonden vrij

Dit gedicht is geschreven ter gelegenheid van de tentoonstelling ‘Calvijn & Wij’ in de Grote Kerk in Dordrecht. Gisteren las Ramsey Nasr het voor bij de opening.

Wilt U reageren op dit gedicht? Mail uw reactie naar cs@nrc.nl, onder vermelding van ‘Calvijn’.

U kunt ook schrijven: Redactie CS, Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam