Psalm voor de 'god van oranje'

„Zo is mijn liefde voor u en niet anders/ god van mijn afkomst, aanvaard mij/ ik draag een wonderlijk beest in mij/ van nature verbasterd en in wezen onrein/ maar dat beest ben ik en niemand anders/ maak mij zo licht van alle zonden vrij.”

In de Oude Kerk van Dordrecht, dezelfde kerk waar Vader des Vaderlands Willem van Oranje zich in 1574 openlijk tot de gereformeerde religie bekeerde door aan ‘een maaltijd des Heeren’ deel te nemen, riep Dichter des Vaderlands Ramsey Nasr gisteravond „de god van oranje” aan.

Hij deed dat, in aanwezigheid van koningin Beatrix, bij de opening van een expositie over Calvijn, de aartsvader van de gereformeerden, die vijfhonderd jaar geleden werd geboren.

Nasr, die zichzelf presenteerde als „een kind van een halve paapse en een halve muzelman” , bleek zich in Psalm voor een afkomst de oudtestamentische taal en het calvinistische jargon goed eigen te hebben gemaakt. Aanwezigen roemden zijn beeldrijke taal, hoewel niet iedereen de manier waarop Nasr zich tot God richtte even eerbiedig vond. „Ik vraag me af of Calvijn op deze manier met Gods heiligheid zou zijn omgegaan. Dat gaf me een gevoel van vervreemding”, zei de hersteld hervormde predikant Willem van Vlastuin uit Katwijk. „Toch jammer dat ze daarom niet mee applaudisseerden”, zei de christelijke gereformeerde Herman Selderhuis, organisator van de tentoonstelling. „Al was het maar voor de artistieke prestatie.”

Reportage: pagina 9 Gedicht: Cultureel Supplement: pagina 6 en 7