Overtollige Habsburgers hadden vooral veel kroost

Timothy Snyder: De rode prins. Het einde van een dynastie en de opkomst van het moderne Europa. Ambo, 376 blz. € 27,95

Toen Juliana en Bernhard nog maar zeven kleinkinderen hadden, voorzag NRC-columnist J.L. Heldring al een mogelijk probleem. ‘Als we de statistiek als maatstaf nemen’, schreef hij in 1980, ‘is het zeker dat tenminste een van de prinsen óf met justitie in aanraking zal komen, óf een meisje zwanger maakt, óf een drugsprobleem krijgt.’

Zou hij aan het Huis Habsburg hebben gedacht? Daar moest voor noodgevallen altijd een voorraad potentiële opvolgers klaar staan, dus het wemelde ook bijna altijd van aartshertogen en -hertoginnen aan wier neus de Weense troon voorbij was gegaan, en die elders emplooi moesten zoeken – liefst (via slimme huwelijksdiplomatie) op een andere troon. Maar zoveel tronen waren vroeger nou ook weer niet vacant, en omdat aartshertogen zich toen evenmin voor een burgerbetrekking in de wieg gelegd voelden, lokten vanuit hun ledigheid andere fulltime avonturen: seks, drank en niet te vergeten de politiek. Veel Habsburgse keizers zijn gedurende hun regering voor de voeten gelopen door overtollig nageslacht.

Wilhelm von Habsburg (1895-1948) was zo’n overtollige Habsburger. Zijn familietak stamde regelrecht af van de 18de-eeuwse keizerin Maria Theresia, hij was als verre naneef vermaagschapt aan keizer Franz Josef die in 1916 net op tijd stierf om de ondergang van zijn rijk niet te hoeven meemaken, en hij was een van de vele functieloze aartshertogen. Net als zijn vader trouwens, die Karl Stefan heette, en die zich opwierp om als koning van Polen het ‘herboren’ Poolse volk onder Habsburgse bescherming te brengen. Hij had zich dynastiek al voorbereid: zeven kinderen, voor de zekerheid.

De Habsburgse beschermersbehoefte was in de loop van de 19de eeuw steeds sterker gaan leven. ‘Onze monarchie’, verkondigde Franz Josef, ‘is een wijkplaats en een veilige haven voor al die over Midden-Europa versplinterde volkeren die een treurig bestaan zouden leiden als ze aan hun lot werden overgelaten’. Hij geloofde heilig in een ‘Mitteleuropäische’ missie die de Habsburgers moesten vervullen – en hij droeg haar uit binnen zijn rijk vertakte familie.

Volgens een iets te overladen, maar vaak smakelijke biografie is ook nazaat Wilhelm (die dus nooit een schijn van kans op de keizerskroon heeft gehad) altijd van mening geweest dat hij zich als Habsburger moest ontfermen over verweesde buurvolkeren. Hij koos de Oekraïners als zijn favoriete voogdijkinderen – pikant genoeg het volk dat zich onderdrukt voelde door – onder anderen – de door vader Karl Stefan geadopteerde Polen. Als ‘rode prins’ (hij had een sociaal bevlogen reputatie) hield hij zich serieus met de Oekraïense taal en cultuur bezig, steunde metterdaad ondergrondse bewegingen, en droeg zelfs een tweede Oekraïense naam.

Het is al fascinerend te bedenken dat vader en zoon tussen 1914 en 1918 hun activiteiten bleven ontwikkelen alsof er niet een Wereldoorlog aan de gang was die vooral aan de oostgrenzen van het Habsburgse Rijk (Polen, Rusland) hevig woedde. Maar nóg fascinerender natuurlijk dat de plannen en zelfs sommige diplomatieke demarches na 1918 niet gestaakt werden.

Het tsaristische Rusland was intussen de Sovjet-Unie geworden, Polen was niet onder een Habsburgse koning maar onder een Poolse president herboren, het Duitsland van Kaiser Wilhelm heette nu de Weimar Republiek, en de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie was verdwenen.

Maar de Habsburgers leken nog niet toe aan de nieuwe werkelijkheid, of ze bleven er van overtuigd dat de oude terug zou komen.

Zo zien we in De rode prins een curieus schijnleven voorbijtrekken. Wilhelm heeft aan de ene kant alle trekken van een vorstelijke dégéneré – altijd geld, dames en heren genoeg om als biseksueel aan zijn gerief te komen. Maar tussen de scandaleuze bedrijven door publiceert hij niet alleen ‘patriottische’ verzen in illegale Oekraïense krantjes, maar onderhoudt hij op een semi-officieel niveau diplomatieke contacten met de halve wereld, ook met Russen. Op die manier wekte hij natuurlijk aan alle kanten het wantrouwen van de heersende regimes. Dat hij aan Hitlers Gestapo ontsnapte is nog een wonder. Stalins geheime dienst bleek efficiënter: in 1948 stierf hij in een Sovjetgevangenis.

De Amerikaanse historicus Timothy Snyder blijkt te beschikken over een reusachtige literatuurkennis, die reikt van de ordinairste verzameling roddels tot aan de deftigste standaardwerken over de latere Habsburgers. Daarin komen we uiteraard ook Otto nog tegen, de laatste ‘kroonprins’. 97 jaar oud nu, lang lid geweest van het Europees Parlement, geen enkel uitzicht op een troon meer. Maar wel zeven kinderen.

    • Jan Blokker