Orkest zoekt publiek

Het publiek voor klassieke muziek sterft uit, beweren sommigen. Is dat doemdenken terecht? En hoe proberen orkesten het tij te keren?

Mevrouw wil graag een viool vasthouden, achter haar kijkt rapper Salah Edin toe Amsterdam 18-4-2009 Naomi Peters (Viool), Nitzan Laster (cello), Frederik Boits (altviool) en Armand de Beauregard (eerste viool) van het Nederlands Philharmonisch en Kamerorkest in opdracht van ondermeer de bijstandsbond op concert in het Dijktheater. De doelgroep is verschillend van de gebruikelijke en ook het theater is Spartaanser dan normaal. Vrouw wilde naar eigen zeggen altijd al een viool vasthouden. Foto Floren van Olden Olden, Floren van

Buiten is het een zonnige zaterdagmiddag. Binnen is het Dijktheater aan de Amsterdamse Da Costakade vrijwel geheel gevuld met meer dan veertig mensen die luisteren naar strijkkwartetten van Beethoven – opus 18 nr. 6 – en Schuberts Der Tod und das Mädchen. Ze worden hier in de volkse Kinkerbuurt gespeeld door vier musici van het Nederlands Philharmonisch Orkest. Voor hen is het ook een nuttige repetitie, want ze willen met elkaar een vast strijkkwartet gaan vormen. Ze zijn nog wel op zoek naar een naam.

Armand de Beauregard, Naomi Peters, Frederik Bolts en Nitzan Laster spelen met grote inzet. Schuberts Der Tod und das Mädchen klinkt zelfs bijna alsof er een heel symfonieorkest aan het werk is. Het publieke succes is groot en na afloop stapt er een man naar voren met bloemen voor de musici. Iedereen wordt bedankt, een apart applaus is er voor Beethoven en Schubert die voor de mooie muziek hebben gezorgd. En natuurlijk de Vereniging Bijstandsbond Amsterdam, die het publiek heeft geworven. En de Mobiele Picknick Tafel, voor de heerlijke hapjes en verse fruitsappen in de pauze en na afloop.

Het publiek voor het gratis evenement bestond vooral uit bijstandstrekkers en mensen met een minimuminkomen. Dit ‘Concert in de wijk’ is een onderdeel van NedPho GO!, het sociaal-maatschappelijke activiteitenprogramma van het Nederlands Philharmonisch Orkest. Diezelfde week, half april, waren er nog drie van dat soort concerten, in een zorgcentrum, in een woonflat voor ouderen en in de Forensisch Psychiatrische Kliniek van het AMC.

Is het Nederlands Philharmonisch

Orkest wanhopig bezig zich teweer te stellen tegen de vele voorspellingen dat de klassieke muziek teloor zal gaan? Probeert het orkest zijn duur gesubsidieerde bestaan te rechtvaardigen door sympathieke activiteiten? Of is het orkest tot in de verste uithoeken van de stad bezig publiek te werven voor de optredens in het Concertgebouw en het Muziektheater?

Geen sprake van, zegt directeur Rob Streevelaar. „We delen niet eens folders of seizoensbrochures uit. We maken klassieke en symfonische muziek op ongebruikelijke plekken bereikbaar voor een breed publiek. En vooral voor mensen die daar van nature niet mee in aanraking komen, door hun maatschappelijke positie, als ze fysiek of door gebrek aan geld niet naar de concertzaal kunnen.”

Het Nederlands Philharmonisch organiseert jaarlijks zo’n 90 tot 100 van zulke gesponsorde activiteiten. De gemeente Amsterdam geeft er een ton extra subsidie voor en vorig jaar werden daarmee 15.000 mensen bereikt. Streevelaar: „Klassieke muziek valt bij veel meer mensen in de smaak dan bij degenen die nu naar onze vijftig concerten komen. Als je maar naar mensen toegaat. We moeten naar buiten met de muziek. Het is een uitdaging, ingewikkeld, maar ook heel bevredigend en succesvol.”

Het nieuwe NedPho GO!-denken is na enkele jaren al geheel geïntegreerd in de organisatie van het orkest en het functioneren van de musici. Het orkest doet daarnaast op verschillende niveaus veel aan educatief werk op scholen. Kinderen komen naar orkestrepetities. Maar ook in het Concertgebouw zijn er inleidingen, nagesprekken, ontmoetingen met musici. In de foyers staan videoschermen met korte documentaires, die ook op de website van het orkest zijn te zien.

Streevelaar spreekt zelfs over „een totale breuk met het functioneren van het orkest tien jaar geleden”. Het concert in het Dijktheater was georganiseerd door de cellist Nitzan Laster, die iemand van de Bijstandsbond kende. Er blijkt maar weinig nodig, zegt Streevelaar, enthousiasme komt snel. „Dat leidt tot echte ervaringen, van muziek word je een beter mens. En het neemt de mystificatie rond musici weg. Ze blijken gewone mensen, met wie je in de pauze kunt kletsen.”

In die ontspannen sfeer tussen Beethoven en Schubert vraagt een oudere mevrouw of ze eens even een viool en een strijkstok mag vasthouden. Dat heeft ze altijd al gewild. En dat mag van Naomi Peters. Het resultaat is alleen gekras, maar dat geeft niets, ze heeft een viool vastgehouden. Ze vindt concerten meestal erg duur, zegt ze, maar toch gaat ze een enkele keer naar het Concertgebouw. „Het liefst als er walsen van Strauss zijn. Dan kleed ik me heel netjes aan, dan is het feest.”

Voor Hans Abbing, een lid van

de Amsterdamse elite als professor in de kunstsociologie, econoom en beeldend kunstenaar, is een avond in het Concertgebouw geen feest. Hij houdt meer van dancefeesten met hun losse sfeer. Onlangs zei Abbing in deze krant zich te ergeren aan de stijve concertetiquette, de mensen om hem heen wilden niet dat hij tijdens de muziek zat te tekenen. Hij voorspelt na de steeds verdergaande vergrijzing van het publiek een definitieve leegloop van de zalen en het einde van tal van professionele orkesten.

Abbing is niet de enige die de gedeeltelijke ondergang van de huidige concertpraktijk van de klassieke muziek voorspelt. Twee jaar geleden verscheen de essaybundel Einde oefening: een veelal zwartgallig en zelfs apocalyptisch beeld van de orkestwereld en de huidige concertpraktijk, die op het punt staat te imploderen.

Maar net zoals bij de kunstvorm opera, die in 1967 werd doodverklaard door Pierre Boulez en vernieuwd opbloeide, zo hoopt ook de Nederlandse orkestwereld op de redding van het concertleven door veranderingen en aanpassingen aan de wensen van het eigentijdse publiek. Want de uitdaging is de muziekliefhebbers te blijven interesseren en te zorgen voor nieuwe generaties concertgangers. Er moet worden voorkomen dat het publiek uitsterft. En daarmee de klassieke muziek, de enorme collectie van hoogtepunten uit een half millennium klinkende cultuurgeschiedenis.

Het doemdenken van Abbing wordt door orkestdirecteuren en artistiek leiders algemeen aan de kant gezet als veel te persoonlijk gemotiveerd. Nog nooit in de wereldgeschiedenis heeft klassieke muziek immers zo’n groot publiek als tegenwoordig in talloze zalen, zaaltjes en kerken, via cd’s en dvd’s en via internet. Rond de tachtigste verjaardag van Bernard Haitink werd een aantal van zijn opnamen via de klassieke zender Radio 4 meer dan 200.000 keer gratis gedownload.

Het genieten van klassieke muziek

is voor de meeste mensen iets voor een bepaalde levensfase. Je kunt niet verwachten dat een zaal vol tieners anderhalf uur naar een Brucknersymfonie luistert. Het grijze deel van het concertpubliek is vroeger ook niet zo begonnen. Maar, zo geeft iedereen toe, er moet wel wat gebeuren om klassieke muziek aantrekkelijk te maken voor een potentieel nieuw en zich verjongend publiek.

„Dat is al heel lang een probleem”, zegt Jan Willem Loot. „Educatie en samenwerkingsprojecten hadden we bijna veertig jaar geleden bij het Overijssels Philharmonisch Orkest ook al.” Hij heeft op dit gebied een ervaring als geen ander in dit land. Zijn lange carrière bij tal van orkesten eindigde met een bijna elfjarig directeurschap bij het Koninklijk Concertgebouworkest, volgens Gramophone „het beste orkest ter wereld”.

Ook dat orkest had het vroeger moeilijk. Vijfenzeventig jaar geleden, in juni 1934, traden het Concertgebouworkest en het Residentie Orkest samen op in het Olympisch Stadion om zich aan een groot publiek te presenteren, om publiciteit te krijgen en inkomsten te verwerven. Willem Mengelberg en Dr. Peter van Anrooy dirigeerden eigen Nederlands werk: het Praeludium over het Wilhelmus en de Piet Hein-rapsodie. Dertigduizend mensen, onder wie prinses Juliana, hoorden ook nog de ouverture Die Meistersinger von Nürnberg en de Negende symfonie van Beethoven.

Het Concertgebouworkest gaf ook ‘volksconcerten’. In september 1960 kopte het Algemeen Handelsblad ‘Briljant volksconcert onder Haitink’. Muziek van Smetana, Bartók, Schumann en Stravinsky klonk „energiek en fris”, het concert was volgens de recensie „onstuimig, bruisend, spontaan en onbekommerd”.

Kortom, het volk dat een goedkoop concert bijwoonde, kreeg waar voor zijn geld van een dirigent die het nog heel ver zou brengen. Al zijn ze er wel, educatieve activiteiten vindt Loot niet behoren tot de kerntaken van het Concertgebouworkest. „Om te laten zien hoe je een fagot in elkaar schroeft, hoef je niet de beste fagottist van de wereld te hebben. De absolute topkwaliteit van het spelen moet voorop staan.”

Een incidenteel cross-overconcert, gratis lunchconcerten of een openluchtoptreden horen juist wel bij het Concertgebouworkest. Alle orkesten hebben zulke populaire optredens: Holland Symfonia geeft een meezingconcert met liedjes van Harry Bannink, het Rotterdams Philharmonisch Orkest een ReMix Session in Las Palmas, het Brabants Orkest geeft familieconcerten met Edwin Rutten.

De concurrentie op de uitgaansmarkt

is groot en lang niet overal gaat het echt goed in de klassieke sector. Het Residentie Orkest heeft betere tijden gekend. Het muziekleven in Utrecht maakt tijdens de bouw van het nieuw Muziekpaleis moeilijke tijden door en in Arnhem constateert Loot een ouder en uitgedund publiek. Maar in Amsterdam loopt het prima. Loot is enthousiast dat de nieuwe tweejarige Mahler-serie van het Concertgebouworkest inmiddels al is overtekend. De 4.500 leden van de jongerenvereniging L’Entree, die goedkoop naar binnen kunnen, zorgen voor een verjonging van het publiek.

„Het orkestbedrijf is net als andere sectoren van de samenleving in een voortdurende staat van evolutie”, zegt Arthur van Dijk, tot voor kort directeur van het Nationaal Jeugd Orkest en nu directeur van het Brabants Orkest. „Het orkest gaat alleen te gronde als het publiek niet meer is geïnteresseerd. Niets wijst daarop.”

„Onzin”, noemt ook de Brabantse artistiek directeur Jan Zekveld het doemdenken, „we staan niet tegen de muur.” Hij was altijd een atypische concertganger, want hij hoorde reeds als zeventienjarige de Derde symfonie van Bruckner. Zekveld was vroeger in Amsterdam de spraakmakende programmeur van de Matinee op de Vrije Zaterdag en ook enkele jaren artistiek directeur van het Concertgebouworkest.

Zekveld: „Bij de Matinee was ik een solist, hier is het programmeren teamwerk. Er moet iets worden ontwikkeld dat een heel klein stapje voor de troep uitloopt. Meer is riskant, de inkomsten moeten groter, we willen meer publiek, we moeten enigszins op safe spelen, ik haat lege zalen.”

Opvallend is het succes van de serie met nieuwe muziek ‘Red Sofa’ in de Rotterdamse Doelen, die wordt geprogrammeerd door Neil Wallace. Op en rond het meubelstuk zijn er inleidingen, interviews en discussies die veel publiek trekken. Hier had de Amerikaanse minimal-componist Steve Reich (71) vorig jaar de avond van zijn leven. Hij was verbaasd en ontroerd, want er waren 1.800 bezoekers. Nog nooit had hij een uitvoering van zijn muziek meegemaakt met zoveel publiek. Ook een concert met muziek van Louis Andriessen was een een enorm succes.

Directeur Gabriël Oostvogel: „Het heeft meer zin om bij twintigers te beginnen met nieuwe muziek dan met een symfonie van Brahms. De wat ouderen van nu, de 45-plussers zijn ook anders dan vroeger, ze hebben popmuziek meegemaakt, hebben minimal music gehoord, Sjostakovitsj, filmmuziek van Korngold gehoord. Die schrikken niet van rare harmonieën.”

Jan Willem Loot signaleert een perfectionering van de concertpresentatie om het publiek te plezieren. Bij het Concertgebouworkest maakt chef-dirigent Mariss Jansons van elk concert een evenement en staan de musici, anders dan vroeger, bij het applaus in strakke slagorde. Jonge dirigenten zijn hot als ze beschikken over aansprekende flair en energie, zoals Yannick Nézet-Séguin van het Rotterdamse Philharmonisch Orkest, Alan Buribayev van het Brabants Orkest en de elektriserende Venezolaan Gustavo Dudamel, die binnenkort zijn debuut maakt bij het Concertgebouworkest.

Orkesten en zalen bieden het publiek ook steeds meer service en horecavertier, een complete avond uit. Eind negentiende eeuw stonden er losse tafels en stoelen in de Grote Zaal van het Concertgebouw. Concertbezoek was toen een vorm van loungen, obers liepen tijdens het concert rond om de muziekliefhebbers te bedienen. Die tafels en stoelen zijn nu teruggekeerd in de entreehal, in het café van het Concertgebouw. In het Dijktheater is het trouwens niet anders met eten en drinken. En bij het Brabants Orkest kun je niet alleen een parkeerplaats reserveren, maar ook een tafel in de foyer met drank en versnaperingen.

Wie er ook was op die zaterdagmiddag in het Dijktheater: de rapper Salah Edin. Hij kreeg vorig jaar op last van de rechter drieduizend euro van Geert Wilders. Een portret van hem was ten onrechte te zien in de film Fitna, omdat hij erg lijkt op Mohammed B., de moordenaar van Theo van Gogh. Salah Edin kwam zich oriënteren op de westerse klassieke muziek. Misschien wil hij, net als eerder Ali B deed bij Holland Symfonia, samenwerken met het Nederlands Philharmonisch Orkest. Deze strijkkwartetmiddag vond hij in ieder geval „geweldig”.