Niemand komt meer op voor Israël

Er is helemaal niemand meer die het voor Israël opneemt of over deze staat iets aardigs wil zeggen. Tenminste: dat is de indruk die je kreeg nadat deze week Toneelgroep Amsterdam Zeven Joodse kinderen: een toneelstuk voor Gaza van de Britse toneelschrijfster Caryl Churchill had opgevoerd.

In een stuk van zeven episoden onderzoeken volwassenen wat je aan je Joodse kind zou kunnen vertellen en wat niet. In de eerste episode gaat het daarbij om de gruwelen van de Jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog, en via onder andere de verdrijving van de Palestijnen in 1948 en de eerste intifada, komt het stuk uit bij de jongste Israëlische inval in Gaza: „Zeg maar dat ze het aan zichzelf te danken hebben [...]. Zeg haar dat ze zelf willen dat hun kinderen gedood worden zodat we medelijden met ze krijgen [...]. Zeg haar dat ze dieren zijn die leven in puin, zeg haar dat het me niet zou kunnen schelen als we ze allemaal uitroeiden.”

Van alle eerdere morele en praktische argumenten voor het bestaan van de Joodse nationale staat, en voor de manier waarop deze staat militair optreedt tegen de Palestijnen, blijkt er in de toneeltekst geen geloofwaardige overgebleven. Niet het argument van een nationaal toevluchtsoord na de Tweede Wereldoorlog. Niet het argument van het enige democratische land, dat zich in een zee van door potentaten bestuurde arabieren staande moet houden. Zelfs niet de praktische noodzaak van geweld.

Van de staat Israël is alleen nog maar een cynisch, moordlustig machtsdenken over, dat de Palestijnen wil elimineren – achter een muur verstoppen of, zoals in Gaza, ze met disproportioneel geweld van witte fosfor en raketten naar de andere wereld bombarderen.

Na de opvoering in een klein zaaltje van de Stadsschouwburg in Amsterdam was er een debat, net als na de met enig rumoer omgeven Britse en Amerikaanse voorstellingen van het stuk. Regisseur Thibaud Delpeut, journalist Max Arian, historica Eveline Gans en schrijver Abdelkader Benali – geen van hen zei dat Churchills tekst antisemitisch is, of apert onjuist. Hetzelfde gold voor de zaal. In Londen en New York was er wel protest.

Zo’n discussie beweegt zich al gauw in de merites en détails van het Israëlisch-Palestijns conflict, en of de toneeltekst die wel adequaat weergeeft. Maar dat is naar mijn idee niet het belang van dit stuk.

Theater heeft met geloofwaardigheid en waarschijnlijkheid van doen – het stuk is een dramatische oefening die eindigt met de boodschap dat je Israël tegenover een kind alleen nog maar kunt rechtvaardigen met argumenten van een zodanig bloeddorstig cynisme, dat je daarmee bij een kind niet kunt aankomen. Een hele zaal slikt dat: dat ervaren de toeschouwers inderdaad als een overtuigende schildering van de communis opinio.

En iedereen weet dat deze boodschap congrueert met de situatie buiten het theater: er zijn nauwelijks verstandige mensen bereid iets aardigs over de staat Israël te zeggen. En iedereen kan zich realiseren dat dit, op den duur, het voortbestaan van die staat in gevaar brengt – gewild, of ongewild. Een schokkende voorstelling.

Toneelgroep Amsterdam speelt het stuk nogmaals op 16 mei. Volledige tekst op de site royalcourttheatre.com en een uitvoering op video op de site guardian.com (in het Engels).

    • Raymond van den Boogaard